Welkom op

Grenzen en vroege vorsten van het oude Friesland

Inleiding

In de vijftiende eeuw wist men aan het Bourgondische hof niet beter of Friesland was in vroegere tijden een koninkrijk geweest. Dat hof wilde uitbreiden om machtiger te worden en maakte met de hulp van zijn geschiedschrijvers en enkele oude geschriften aanspraak op Friesland in het noorden, omdat alleen dat noordelijke Friesland in het geheugen was blijven hangen. Men heeft zich al vaak de vraag gesteld of het oude Friesland en het Friesland in het noorden vanaf de “Romeinen” tot “Karel de Grote” over dezelfde streek handelde. Het “nieuwe” Friesland was historisch een andere streek als wat in vroegste beschrijvingen te lezen valt. Jean Jouffroy verkondigde in 1448: “Friesland, ook, ooit het machtigste rijk dat tot de Denen behoorde...” (1) De hertog van Bourgondië was het natuurlijk welgevallig dat hij kon dromen van een Friesland in het noorden van Holland tot Lübeck.

Er werd ruwweg van de eerste tot achtste eeuw weinig opgeschreven maar later des te meer beweerd. Men beweerde bij voorbeeld dat de Friezen, voor de Franken hen inlijfden, al een monarchie hadden. Men spreekt in die acht eeuwen zelfs van één koningsgeslacht. Hieronder wordt de rij voorzichtig afgelopen. De bedoeling van dit artikel is aan te tonen dat het Friesland waarvan sprake is van de Romeinse tijd tot aan het tijdperk van Karel de Grote vooral te vinden is in het Scheldebekken en zelfs verder zuidwaarts.

Koningen en graven...

Sommigen willen al een Friese koning Friso ontdekken rond -320. Petrus Suffridus (1527-1597) die hoogleraar was te Keulen, was de eerste die met die koning op de proppen kwam, een beetje (te) laat dus om dat historisch te aanvaarden.

KoningFriso-2.jpg

Aldgisl-1.jpg

Legendarische koning Friso en koning Aldgisl. (2)

Finn Folcwalding was ook een (legendarisch) heerser over de Friezen, zoon van Folcwald. Men maakt van hem graag de eerste Friese koning die leefde in de vijfde eeuw. Finn was getrouwd met de “Deense” prinses en freothuwebbe (vredewebbe) Hildeburh, toch een Dietse naam volgens mij, temeer daar Halfdeen Hnaef, een lid van de Scyldinga of Scheldewikingen, de broer was van Hildeburh. We moeten dus in de buurt van de Schelde zoeken. In het Angelsaksische gedicht “Widsith” heet hij Fin Folcwalding. Een genealogische webstek geeft ons volgende interessante info: Hij is geboren rond 390 in Bonen (Boulogne, nu Frankrijk!), was koning der Fresonen (Frisii) van 416 tot 435 en is overleden rond 455 in Kent, England. (3) Merkwaardig is ook dat de Friese koning Finn lijkt te figureren in sommige Anglo-Saksische koninklijke genealogieën waar hij verschijnt als de zoon van een zekere Godwulf. In de geschiedenis van Nennius (4) lezen we ook “Fran” (5) voor Finn en “filii Folcpald” voor zoon van Folcwald. (6) Machtshonger maakte dat Friezen in die tijd in conflict kwamen met andere “Denen”. Voor Finn werd het het zijn ondergang. De situatie van “Germanen die onder elkaar streden om de macht”, dreef geregeld boven in de loop van de vroege middeleeuwen. Het Finnburg-verhaal uit “Beowulf” beschreef die strijd tussen Denen en Friezen. Geografisch zitten we met dit verhaal in het grote deltagebied.

Fragment uit Beowulf: (7)

Gewiton him ðá wígend

wíca néosian

fréondum befeallen,

Frýsland geséon,

hámas ond héaburh·

Hengest ðá gýt

wælfágne winter wunode

mid Finn eal unhlitine.

gewatten hem da wiggend

wice noesen

vrienden bevallen,

Frysland gisian

heems end hoheburh

Hengest dan jèt

waelvakene winter weunde

mi Finn al unliedene

Geschreden hij daar strijdend

wijken (plaatsen) in een bocht voorbijging

(waar) vrienden te kort schoten,

Friesland gezien

heimen en hogeburg

Hengest daar hij heeft

(in de) doodvermoeide winter

gewoond met Finn al zonder andere lieden

 

Nog even over de naam “Fin(n) Folcwalding” zelf. Kan dit personage een voorloper zijn geweest van de Vlaamse waldheren? (8) Walden betekent heersen. Fin (Fran!) was dus iemand die heerste “door het volk gekozen” of iemand die heerste “over het volk”. Dat stemt overeen met de vroegste Vlaamse heersers die waldheren werden genoemd en waarvan de eerste de legendarische gouverneur Liederik I van Buc was. Hij speelde het hoofdpersonage in de legende van Liederik en Finaert. De naam Liederik is te herleiden tot koning van de lieden of het volk, wat letterlijk hetzelfde betekent als “folcwalding” en Finaert tot iemand die tot de “Fin” behoorde! In sommige bronnen wordt hij ook koning van de Jutten (strandmensen of kustbewoners) genoemd. In de Vlaamse sagen was Finaert een zoon van Finibert, broer van een Ragenier (Ragenher?) die naar de “Denen” moest uitwijken. Het was Liederik die Finaert een kopje kleiner maakte en zo de burg op het eiland als zijn thuis overnam. Weer een reus/rus (9) die was overwonnen. Het eiland in de Deule, nog altijd in het Scheldebekken, zou later Rijsel (Lille) heten. In de naam Fin Folcwald zitten de twee namen vervlochten wat kan wijzen op een moeizaam verkregen vredesverdrag tussen twee stammen. Het is oppassen geblazen met de historische werkelijkheid in de sagen. Vele zijn redelijk laat opgeschreven, gebruikten misschien historische personages maar waren niet meer vertrouwd met het historisch verhaal. Toch kan niet worden ontkend dat de sage hier een hoog “Beowulf” gehalte heeft. Ook Zeeland heeft zijn Fin-toponiemen: de schorre van “De Finere” waar in 1380 het dorpje Fijnaart ontstond. In het heel bekende Vlaamse Reuzelied, vond de Coussemaker (10) symbolen die op een conflict wezen tussen Asen en Jutten. De reuzen waren volgens hem de “Finnen”.

Uit de zevende eeuw kennen we een Adolf (Audulf Audulfus, ± 600-630, edele wolf). Van hem zijn enkele gouden muntjes gevonden met volgende opschriften: AVDVLFUS FRISIA, AUDULF FRISIA en VICTVRIA AVDVLFO. Ook hier mag men voor Friesland nog aan het grote deltagebied denken.(11)

In dezelfde streek en wat verder in de zevende eeuw regeerde koning Aldgisl (Aldegisel) over de Friezen. Hij wordt in Beda's Historia ecclesiastica (731) beschreven als een koning van de Friezen. Toch waren er waarschijnlijk al meer connecties met de opkomende Franken, want ook bij hen zijn gelijkende namen terug te vinden: Aldegisel, Adalgisel of Audegisl. Onder zijn bewind bloeide de handel op de Noordzee, van Frankrijk en Engeland over Scandinavië tot in Rusland. Christelijke Franken werden aan zijn hof vriendelijk ontvangen. Missionarissen zoals Wilfrid van York mochten zelfs hun geloof proberen te verspreiden onder de Friezen.(12) Maar de Franken heersten niet over zijn koninkrijk: “ ...In 677 maakte koning Aldgisl Frisia vrij, en viel Frisia niet onder het gezag van koningen Dagobert II en Theodoric, ondanks de oorlogen met de Franken...” (13)

De volgende in de rij was Radbod (Redbad Radbodus Radboud, Robuet... ±680-719), een van de bekendste vroege koningen van Friesland. Misschien was hij een zoon van Aldgisl, maar men kan dit niet aantonen. Radbod werd als een Fries en als een Deen gezien. De machtige Radbod was eerzuchtig. In 688 kwam hij met de Frankische leider Pepijn in conflict. Met zijn raids zou hij zelfs tot in Keulen zijn geraakt. Radbod zou na zeven jaar strijden verliezen en moest alles ten zuiden van de Rijn geven aan de Franken. In 717 kwam de definitieve nederlaag van de Fries Radbod tegen Karel Martel bij de slag te Vinciacum (Vinchy of Inchy) in Artesië, wat duidelijk aantoont waar Friesland lag en waar Radbod streed voor zijn land. Radbod maakte wel plannen voor nieuwe veldtochten, maar in 719 werd hij zo ziek dat hij overleed. De Franken profiteerden van zijn dood en probeerden heel het Friese rijk in te palmen.

 

 

“De Friesche Koning Radboud weigert zig door Bisschop Wolfran te laaten doopen.” (14)

In de gefantaseerde sage van Karel en Radbod moet Radbod weg van “Danemercum” in “Franekra”. Het huidige Franeker kan niet worden begrepen als een gouw. De Danemark (Deense mark of Ardennemark?) was voor mij een gouw uit het Frankener rijk. Radbod staat met zijn voet in de doopkuip te Sens. Het gaat dus om een streek waar de Franken baas werden over het rijk van de Friezen en de Denen. Dat moeten we meer in het zuiden zoeken dan in het Friesland van nu. Zo begint de sage in een “Oudfries” (links) dat nu nog als “West-Vlaams” (rechts) kan worden begrepen:

Da di koning Karle and di koning Redbad fan Danemercum in that land comen, dae bisette aider sine burch ina Franekra ghae mit ene herescilde, and quat aider, that land ware sin... Da brochte ma da heren toe gaere. Da stoden se en etmel al omme. Da leet di koningh Karle sine hantsco falla. Tha rachtene him di koning Redbad. Da quat di koningh Karle: “Aha, aha, dat land is myn”, ende hlackade. Alderumbe hat sin vrth Hachense. “Hwervmbe?”, quat Redbad. Tha quat Karle: “Y sint myn man worden”. Tha quat Redbad: "O wach". Alderumbe hat sin worth Wachense.

Da die koning Karle en die koning Redbad van Danemarke in dat land kamen, da bezette ieder zyne burch in Frankener gouw met ene legermacht en zei ieder, dat land ware zyn...Da brochte me de heren te gaere. Da stonden ze een etmaal al omme. Da liet die koning Karle zyne handscoe vallen. Da reikte hem (aan) de koning, Redbad. Da quat (zei) de koning Karle: “Aha, aha, da land is myn”, en lachte. Alderom heet zijn oord Hachense. “Waaromme?”, quat Redbad. Da quat Karel: “Gi zyt myn man eworden”. Da quat Redbad: “O wach”. Alderomme heet zyn woord Wachense.

 

“Gy zyt myn man worden”: u bent mijn leenman geworden. Karels oord “Hachense” (gevaar-plaats) werd vervolgens door iedere Fries aangeduid met het woord “Wachense” (helaas-plaats). Het was volgens de Friezen dus een “afgang”. (15)

Raginbald (geen koning, maar “heer”): Re(i)mbaut de Frise, seigneur de Frise, leenman van Karel de Grote, vader van Flandrine, dus grootvader van Ogier de Deen. Beckmann ziet in hem dezelfde persoon als Radbod. (16)

Koning Poppo (Bubo) van de Friezen (674-734) werd de volgende Friese heerser. Hij was de laatste koning van het vrije grote Friese Rijk of Magna Frisia. Poppo heeft met de Franken van Karel Martel waarschijnlijk een verdrag willen sluiten, maar Karel bleef het Friese rijk weer innemen en Poppo kon nederlaag na nederlaag optellen. 734 was de beslissende slag aan de Boorne/Bordine. Moeten we op zoek gaan naar de huidige naam van die rivier of kan hier volstaan met te aanvaarden dat men een boord- of grensrivier tussen de Franken en de Friezen bedoelde? (17) Poppo was één der eersten die slachtoffer werd in de slag.

Na Poppo kwam misschien Aldgisl.

Aldgisl II (719-748, Aldgillis, Adgilt) zou de derde zoon van koning Radbod zijn geweest, maar daar spreekt geen enkele bron over. Men leest voor het eerst over hem in een Friese kroniek uit de zestiende eeuw. Echt geloofwaardig kan men dat niet noemen. Men leest van hem dat hij het Christendom had aangenomen en vredelievend was. Hij leefde vredig onder het Frankische bewind en stopte met regeren in 737. Hij had twee zonen en een dochter. De zonen waren Gondebald en de bekende Radbod, die leefde aan het “Deense” hof. (18)

Gondebald, zoon van Aldgisl II was, volgens de algemene overlevering, van 737 tot 749 koning van Friesland. Onder zijn bestuur kreeg het christendom zijn vrijheid. Volgens sommigen diende hij in het leger van Karel de Grote, waarbij hij als een held stierf tijdens een gevecht te Roncevalles (778), maar naar de data kijkend, is dit onmogelijk. Het geeft ons wel een overgang naar Franse verhalen. (19)

Het Franse taalgebied laat namelijk andere verhalen optekenen wat betreft de Friese koningen.

Gondebald krijgt bij de Franken/Fransen de naam “Gondebuef” (20) Men beschrijft hem als een Friese koning, een man van Karel de Grote. Maar hij heeft nog andere bijnamen: Gondebuef le Frison, Gondebuef le Flamenc, Gondebuef le Vanduel, Gondebuef l'Allemant en Gondebuef de Maience (Metz). Die opsomming toont ons (nog maar eens) dat Fries, Vlaming en zelfs Vandaal elkaar konden overlappen. “Allemant” moet voor Metz staan met een verwijzing naar Bourgondië, want Jean Bodel noemt hem koning van Bourgondië in zijn Saxenlied. (21) We kunnen daar gerust de term “Deen” bijplaatsen. Kijk maar naar de heren van Rambures aan de Somme, waar men binnen hetzelfde gezin de bijnamen “le Danois” en “le Flameng” krijgen. Ook Ogier van (Ar)Denemarken past in het zuiderse plaatje als eerste graaf van Loon met familie rond Metz en met de Vlaamse leeuwen van Henegouwen in zijn wapen.

Die “Franse” Gondebald moet natuurlijk iemand anders zijn geweest dan Gondebald, zoon van Adgilt II. In de dertiende eeuw heeft Phillippe Mouskés uit Doornik er dan ook twee personages van gemaakt, een vader en een zoon, waarschijnlijk constructies opdat het plaatje zou kloppen. Ook in Friesland hebben ze later Gondebald verdubbeld. Uit Doornik komt een tapijt uit de vijftiende eeuw, waar “Gondebues” sneuvelt vanop zijn paard. (22) Verder zijn heel wat fantasierijke verhalen opgedoken in de loop van de geschiedenis die het alsmaar moeilijker maken om iets over de historische Gondebald te vinden.

Mouskes, vers 5200: “Gondelbues ki fu rois de Frise”. Met volgende commentaar op p. 208: “Gondelbues Gondubes Gondalbond Gandellodus in de Excellente Chronique de Brabant. Hamconius sprak over deze persoon van wie hij de achtste koning van Friesland en de zoon van Adgillus II maakte. In de roman van “Aubri li Borgonnon”, wanneer graaf Boudewijn van Vlaanderen hem de dood van zijn neven wil wreken, pleit zijn hele hof voor de nobele vreemdeling die door de dichter “Alemant” wordt genoemd.” We zitten met die “Alemant” in de streek van Ogier. In de hier aangehaalde verzen verwijt Baldwin de Friese koning dat hij zijn land wilde veroveren, terwijl de Friese koning verklaart dat zijn volk zich vestigde op zee-eilanden: (23) “Li rois de Frise est en ma terre entrés...Si a mon reigne et mon païs gasté etc...Rois sui de Frise si ai grant irité...Iles de mer avons à grant planté “ (24) Vers 9450 spreekt over vader en zoon: “Gondelbues li fius Gondelbuet”. Op dezelfde pagina (369) staat nog volgende commentaar: “De kroniek van het Heilige Graf van Cambrai” die tot 1090 gaat, noemt Radbod Robuet le Sarrasin. PJ Heylen, citeert in Volume IV van de oude Memoires van de Academie, dat wat de mensen Saracenen noemen, ook Normandiërs, Friezen, enz. kunnen betekenen.” (25) Het repertorium van eigennamen in Middelnederlandse literaire teksten (26) is nauwkeuriger wat betreft de opsomming van alle namen voor Gondebald. (27)

Vooral in het tijdperk van Karel de Grote zouden de Franken de overheersers worden. De Friezen die zich niet wilden aanpassen moesten verdwijnen en vluchtten met schepen en landden uiteindelijk in hun nieuwe Friesland, hun nieuwe Zeven Zeelanden die wat noordelijker lagen. Karel zou in het noorden ook Saksen herbergen en in toom houden.

Godfried de Koning van de zee (830-885) (Godfried de Noorman, de Fries, de Deen) beschouwde Frisia als het land waar de zijnen woonden en waar hij het hoofd van was. Godfried vond het dan ook maar normaal dat hij daar zijn macht wilde herstellen. In 853 werden politieke overeenkomsten gesloten tussen Karel de Kale en Godfried, waarbij Lothar van niets wist. Na 855 regeerde hij samen met zijn neef Rorik over een deel van Frisia, voor hij vertrok naar Engeland. In 879 kwam hij terug met het mekel here naar Vlaanderen. Vanuit zijn woonplaats te Gent knabbelde hij verder aan de grenzen van het Karolingische rijk. In 882 sloot hij een overeenkomst met Keizer Karel de Dikke in Ascloha, waarbij hij leider werd van heel Frisia. Hij werd echter sluw vermoord tijdens onderhandelingen waarbij Gerulf, stichter van het Hollandse huis, betrokken was. Zijn dood betekende het einde van de (Zuid-)Deense heerschappij. Hendrik van Babenbergs soldaten vermoordden Godfried in 885 met de hulp van de graven Gerulf en Everhard Saxo tijdens een feest in Herispich (Spijk). Misschien was hij dezelfde persoon als “Godfried de Deen” uit Picardië, die ook Gifrois de Biauvaiz heette. Hij was een graaf die banden had met Ors(on) van Bauvaiz (Biauvaiz, Beauvais). De meeste mensen in die tijd waren nog heiden. Adelbold, bisschop van Trajectum vertelde dat maar een klein deel van de “Frisones aquatici”, de Friese kustbewoners van Zeeland en Vlaanderen, hun Pasen hielden. (28)

Gerulf (negende eeuw) was een Friese graaf die startte als leenman van Godfried de “Deen” die dan als hertog over Frisia heerste. Misschien was hij een afstammeling van Radbod.

Diederik, graaf van Friesland en zoon van Gerulf. Wellicht zijn verschillende graven met die naam samengevoegd tot Diederik I.

Diederik II (932-988) was een Friese graaf die trouwde met Hildegard van Vlaanderen, dochter van graaf Arnulf I van Vlaanderen en Aleidis van Vermandland (land van “de mannen”). We blijven in het zuiden hangen.

Arnulf (955-993) was graaf van (West)Frisia en bekend als Arnulf van Gent, waar hij werd geboren. Hij was verantwoordelijk voor een burgeroorlog tussen de Friezen. De aanval van Arnulf was niet succesvol en hij werd op 18 september 993 door West-Friezen vermoord.

Met Diederik III wijken we uit naar het noorden. Via oorlogen koloniseerde hij het noordelijke Friesland. Hij was actief in de ontginning van moerassen, misschien iets wat hij bij de Vlaamse graven had gezien.

 

Frieslands oudste verblijven

Ik besef dat de hypothese over de Oudfriese grenzen controversieel en persoonlijk is, maar met de gegevens die ik tot nu toe bezit, beschouw ik ze tot nader order als de meest acceptabele.

Het zwerven van volkeren was eeuwenlang een normale zaak om veilige of vruchtbare grond te zoeken. Het oorspronkelijk land kan ver weg hebben gelegen. Daarom zijn verschillende locaties voor eenzelfde volk binnen Europa in de vroege middeleeuwen best mogelijk. Ook voor Friesland moeten we rekening houden met ruime en variërende grenzen. In de Romeinse grensprovincie Neder-Germanië was het westelijk deel van de versterkte grensprovincie Germania inferior de hele delta van Rijn, Maas en Schelde in ruime zin. Aan de kust reikte het toezicht van de Romeinse Rijnvloot (Classis Germanica Pia Fidelis) tot voorbij het latere Zwin. (29) Volgens Caesar woonden de Morinen aan het einde van de wereld: “...trok naar de rand van de aardschijf...en bereikte de kust bij Bonen” (Boulogne)...(30)  De Friezen waarover de Romeinen schreven, konden moeilijk nog eens verder wonen. Indien ze verder woonden, dan kan dat contact met de Romeinen te verklaren zijn omdat die Friezen toen “afzakten” naar het zuiden. Inderdaad, in het jaar 58 hadden Friezen braakliggende gronden langs de zuidkant van de Rijn ingenomen om aan landbouw te doen. Ze hadden er zelfs al huizen op gebouwd. Maar van de Romeinen moesten ze daar weer weg. We vinden dit bij Tacitus die schreef over Verritus en Malorix, twee Friese heersers die een bezoek brachten aan Rome. Zij behoorden tot de adellijke bovenklasse. Nero gaf aan beide heersers het Romeinse burgerrecht, maar toch moesten de Friezen van hem de ingenomen streek bij de Rijn verlaten. Verhuisden ze toen nog meer zuidwaarts? In het noorden waren (wegens teveel water?) een aantal eeuwen nauwelijks Friezen te merken bij de Waddenzee. Tacitus schreef dan nog eens over een Friesland met rotsige eilanden, diepe rivieren, kapen en kliffen, wat alleen kan passen bij wat nu “Hauts-de-France” heet. Hij vermeldde daarbij het grote verschil tussen eb en vloed. Het nauw van Kales heeft zo'n groot getijdenverschil en er zijn de kapen of kliffen van Swartenesse (Gris-Nez) Blankenesse (Blanc-Nez, Hilderness 1124) Nessepunt (Pointe du Nez) Ridenpunt (Pointe du Riden) en andere. Publius Cornelius Tacitus (±56-117) beschreef het als volgt: ...De vloot van Germanicus voer ... over de Amisia naar de zee, in eerste instantie verliep de tocht rustig tot opeens een noodweer vanuit het noorden losbrak en de schepen gegrepen werden. Enkele schepen werden meegesleurd tot in Britannia. Germanicus strandde op de kust van de Chauken... weer in zijn thuiskamp trok hij op tocht naar Germania tegen de Chatti en de Marsi... In Tacitus Annalen II, 23-25...navis in aperta Oceani aut insulas saxis abruptis vel per occulta vada infestas... (...schepen in de open oceaan of eilanden met scherpe kliffen en gevaarlijk verborgen geulen onder het wateroppervlak...) Een noorderstorm met hagel in een getijdengebied aan de kust van de Chauken, met in hun nabijheid de Friezen die in -12 Drusus hadden geholpen omdat zijn schepen op weg naar de Chauken plots droog lagen door de terugstromende Oceaan. In de tijd van Drusus zaten de Romeinen zeker niet ten noorden van de Rijn en Friesland leek al tot het Romeinse rijk te behoren. Strabo beschrijft de Marsi als een Germaanse stam uit het Rijngebied maar tot diep in Germanië verspreid. In Drusus' tijd kende men de Rijn nog niet echt. De Chauken zaten in de eerste eeuwen zeker aan Het Kanaal en de zuidelijke Noordzee in de buurt van de Menapiërs. Plinius beschreef dat het woongebied van de Chauken voor sommige delen ook het gebied was van de Menapiërs. Volgens Tacitus leefden ze aan de Oceanus waardoor het vooral viseters waren. Anderen menen dat ze leefden tussen de Elbe en de Eems, maar dat wringt met 'Oceanus' en met waar de Romeinen een vloot hadden in die tijd. 

Amisia is een Latijnse naam voor een rivier in een Germaanssprekend gebied. Dat kan De Ems in Duitsland zijn, maar dat hoeft niet, zeker niet als randinformatie ons dwingen om meer naar het zuiden te zoeken. De Ems in Duitsland wordt uitgesproken als Eems Iems of Oamse. De Latijnse naam zou uit de eerste eeuw stammen, maar de archieven hebben alleen maar kopieën vanaf de negende eeuw. Emsbad bv. heette in de eerste eeuwen Avio Monte.
Er zijn andere mogelijkheden:
HEM (Noord-Frankrijk)
Dat Amisia van Hem afkomt is best mogelijk. De H werd (wordt) in het plaatselijke Vlaams niet uitgesproken en de 'e' kan even goed lijken op een 'a'.
(T)EEMS?
Hierbij denkt iedereen direct aan de Thames, waarbij de oorspronkelijke betekenis zou luiden: te-em-isa en vandaar in het Latijn: Tamesa of Tamesis(30a). Dat zou dan een plaats aanduiden (het latere Londen) waar de stroom zich verwijdt en waar het estuarium van de stroom eigenlijk begint. Het was daardoor natuurlijk ook een getijdenplaats. Londen betekende dan 'Landen te ames', waarbij de stroom uiteindelijk Tames of Temes zou gaan heten.
Merkwaardig hierbij is dat we eenzelfde situatie hebben in Vlaanderen, met de Schelde en de stad Temse die ook aan het begin van het estuarium van de Schelde ligt. De Franse taal helpt natuurlijk, omdat zowel de Thames als Temse in het Frans Tamise heet, wat heel dicht ligt bij t(e)Amisia. Voor Temse volgt dezelfde uitleg: Te Emse (te Amisia) werd Temse. De plaatsnaam Ems heeft uiteindelijk niet de naam van de rivier veranderd zoals voor Londen. Familienamen die voorkomen bij de Schelde waren of zijn Ams, van Ams, Ems, Van Ems, Hemschot, Emschot, van Amsbeke, van Hamsbeke.
Besluit: Amisia kan volgens mij staan voor Hem of Schelde (mijn voorkeur) en de Albis was dan de Aa rivier in het huidige Frans Vlaanderen of de Oude A in West-Vlaanderen.

Zicht op de scherpe rotsen en kliffen bij Audreselles (Oderzele), iets ten noorden van Bonen (Boulogne)

Het was meer dan waarschijnlijk dat Friezen aanwezig waren tussen Seine en Schelde. In zijn Germania schrijft Tacitus nog: “Beide stammen (der Friezen) leefden van de Oceaan tot ze de Rijn omarmden en hun grondgebied omvatte ook uitgestrekte getijde-gebieden waar de Romeinse marine op voer.” (31) 

Door de Lex Frisionum en de Lex Francorum of Chamavorum weten we dat Friese wetten geldig waren binnen een gebied met volgende namen: Wisaram, Sincfal, Laubac(h)i, Fli (Cisfli, Flehum, Flehi) en ad Amorem. De Franken wilden Saksen en Friezen met of tegen hun wil aan hun kant krijgen. Mij lijken die wetten te zijn opgesteld om een veilige rechtspraak te hebben voor een (nieuw) volk – hier de Friezen – dat in die streek woonde, werkte of gewoon aanwezig was. Zo kon men nieuwe situaties de baas. We weten dat er Friezen aanwezig waren en werkten tot in Parijs. Voortschrijdend inzicht doet mij vermoeden dat dit niet hoeft samen te vallen met het echte kerngebied waar de Friezen in die tijd als stam woonden, een gebied dat ik vooral vind in het Scheldebekken en noordwaarts tot aan de Rijnmonding en zuidwaarts tot aan Bonen (Boulogne). Friezen waren vooral handelaars en die hebben het voor hun handel graag duidelijk. De hierboven vermelde wetteksten boden rechtszekerheid aan Friezen die in die vermelde streken werkten of verbleven. Ook andere stammen kregen hun rechtszekerheid. (32)

Voor het lokaliseren van die namen zijn heel wat interpretaties denkbaar. Conventioneel worden die grenzen vertaald als Wezer, Zwin, Lauwers, Flevum (Vliet) Almere... (33)

 

 

MogelijkeOud-Friesegrenzen.jpg

West-EuropaMagnaFrisia.jpg

Mogelijke Oud-Friese grenzen (eigen kaart) en op Google Maps geplaatste conventionele grenzen.

Met Vlaanderen en Picardië als centrum kunnen we de gebieden waar de Friezen kwamen wonen en werkten ook als volgt afbakenen: de Sincfal-Schelde, Trans Laubachi of over Lobbesbeken (34) de Wisara-Oise, de Flehum/Fli- (Seine) tot aan Amore (Het Kanaal en de Noordzee). Dat er Friezen tot aan de Seine en verder woonden, kunnen we nog terugvinden in toponiemen in de hier voorgestelde streek. (35) Dat “Fli” in andere bronnen ook andere rivieren konden voorstellen staat buiten kijf, vliet is een veel voorkomend toponiem, maar dat Fli iedere keer dezelfde rivier moet voorstellen strookt niet met de vele gevonden hydroniemen.

Deze visie toont een mooi afgebakend gebied, wat voor een goede naleving van wetten noodzakelijk was. Dit is eigenlijk de eerste maal in Europa waar men via een wet duidelijke grenslijnen aanduidde. Vroeger, ook bij de Romeinen, had men het eerder over machtsgebieden. Met de conventionele aanduidingen van die grenzen (zie tweede kaart) kunnen we nergens een bepaalde zone correct inschatten. Voor andere stammen was die afbakening hier niet zo belangrijk. Zij hadden andere wetten. In het hierboven beschreven gebied leefden niet alleen Friezen, maar ook Saksen, allemaal “Denen” (laaglanders). De Germaanse talen waren in die tijd nog niet uit elkaar gegroeid. Caesar schreef over de Belgen (Belgae) als een verzameling stammen die tussen Maas, Rijn en Seine woonden, wat grotendeels overeenstemt met het hier besproken gebied. De stammen leefden naast en door elkaar en men kon zich perfect thuisvoelen in één of meerdere van die benamingen. Een toponiem met een Fries-element, waarvan er veel zijn tot aan de Seine, kon aantonen dat de meerderheid zich daar graag als Friezen erkend zag. In de zesde eeuw vestigden zich ook Saksische en Friese groepen op de Anglo-Normandische eilanden. Dat stammen door elkaar leefden, schreef ook Procopius: “Het eiland Brittia wordt bewoond door drie zeer bevolkte stammen, elk geregeerd door een koning. En de namen van deze naties zijn Angiloi, Phrissones en Brittones, naar het eiland.” (36) Melis Stoke plaatste de Friezen als groep bij de Saksen. In 560 woedde een stammenstrijd tussen de Saksen onderling waarbij de bisschop van Bourges bemiddelaar was. (37) Van de zesde tot achtste eeuw vinden we Saksen in de Seine Maritime, de Calvados, langs de Seine en de Eure en in de streek rond Bonen (Boulogne). Einhard schreef dat hij zonder een rivier over te steken van Fresonia naar Saxonia kon reizen en we hoeven dat niet in het noorden te plaatsen, want de Friezen en Saksen waren toen nog maar pas aan het terugkeren en dat noordelijke settelen was nog niet goed georganiseerd. Het is ook precies in dat “Lex Frisionum”-gebied dat Engilbert door Karel de Grote werd aangesteld als gouverneur van het noordelijk land tussen de Schelde, de Seine en de zee.

Henstra (38) meent dat de Lex Frisionum nooit echt als wet heeft gefungeerd. De tekst uit de late achtste eeuw is onvoltooid gebleven zodat hij niet op de rijksdag in 802/803 te Aken kan zijn voorgesteld. De wet is alleen een goede hulp om oud-Friese rechtsregels te ontdekken. In die wet kunnen we eventueel een poging herkennen van Karel de Grote om vredevolle akkoorden te sluiten met de heidenen; iets wat niet bleef duren. Het uittekenen en gebruiken van grenzen was nieuw, want bij voorbeeld de Romeinen kenden vooral invloedssferen. Zij trokken nog geen scherpe grenzen. De Rijn was voor de Romeinen een ruggengraat, geen grens. Daarom waren de grenzen van de Lex volgens mij vooral de levensaders voor handel, ruggengraten waar de Friezen bescherming genoten tijdens de periodes zonder conflicten. En er waren inderdaad belangrijke centra in die tijd. Plaatsen die belangrijk waren voor handel in de hele Noordzee en belangrijke plaatsen langs de grootste rivieren waren onder andere: Sincfal en Scheldebekken: Domburg, Middelburg, Aardenburg, Antwerpen, Gent, Kortrijk, Doornik, Bavay, Cambrai en Valenciennes dat met Famars samen in de pagus Fanomartensis (voorloper van de “Henegouw”) lag. Lobbes lag via de Samber in het Maasbekken. Fli- of Seinebekken: Rouaan (Rouen) Parijs (Paris) en de plaatsen op de Oise en Aisne, Hauberger/Chambly, Soissons. Amore: Kales (Calais), Duinkerke (Dunkerque), Bonen (Boulogne), Sint-Omaars (Saint-Omer) via de Aa, Amiens via de Somme, Diepe (Dieppe), Juliobona (Lillebonne). De noordelijke gebieden hadden op dat moment geen belangrijke plaatsen. (39)

De Lex Frisionum verloor waarschijnlijk zijn recht van bestaan omdat de Friezen van dat gebied uiteindelijk weer naar het noorden uitweken, al dan niet verplicht. Voor die elders wonende Friezen had de Lex zijn rechtszeker karakter verloren.

Lodewijk de Vrome schonk zijn zoon Karel Friesland samen met de streek tussen Maas en Seine en Bourgondië, gebieden die dus bij en aan elkaar lagen. Einhard (40) schreef over de miserie van Karel de Grote met de heidense Saksen. Daarbij noemde hij de “Albis” (Aube, Aa, Somme?). Friezen en Saksen werden in Orosius (negende eeuw) samen genoemd, maar die “Ælfe” van hen past niet bij de Elbe, maar bij de Aa, Somera (Sommena of Somme) of Aube: “...be norþanwestan him sindon Frisan; be westan Ealdseaxum is Ælfe muþa þaere ie ond Frisland...” (benoordwesten hem zijn Friezen; bewesten Oudsaksen is de Ælfe mond daar en Friesland.) Dan waren die Oudsaksen misschien “Otlinga Saxones” die al van in de vierde eeuw te traceren waren in wat nu Noord-Frankrijk is. “Otlinga Harduini” was hoofdman Hardwin die deel uitmaakte van de “Otlinga Saxonia”. (41)

Flehum” bij de zee kreeg volgens Plinius, de bijnaam “Zuilen van Hercules”, een naam die aan verschillende zee-engten werd gegeven, vooral bij plaatsen waar men weinig wist over wat er lag over de engte. De straat bij Gibraltar was de bekendste engte. Die kapen aan weerszijden van de monding van de Seine, ook bekend als “de hoofden”, konden daar ook bijhoren. Tacitus plaatste zuilen aan de Noordzee. Geyl (42) ziet ook Friezen tot aan de “Seine-mond”. Merkwaardig is ook dat de oudste vormen van Fli-namen die zijn gevonden, namen zijn die bij die in de buurt van de Fli lagen: lacus Flevo, insula Flevo, castellum Flevum en Flehum. De monding van de Seine met Harfleur en Honfleur had zeker meren, eilanden en versterkingen. (43) Volgens Tacitus was Flevum in 28 een Romeinse basis in een Fries getijdengebied bij de kust van de Noordzee (aestuarium). Het Flevum van Nederland bestond toen alleen maar als een binnenmeer, niet als een getijdengebied. Moeten we die Romeinse basis zoeken aan de monding van één of andere stroom langs de zuidelijke Noordzee of Het Kanaal: Locus Quartensis (Somme) Grannona (Seine) Portus Aepatiaci (Canche) Gesoriacum Bononia (Liane)?

In het fragment van de slag van Finnsburg (vijfde eeuw) komen Friesland, Hengist, Finn en de “Denen” samen in het grote deltagebied. Het was een conflict tussen Friezen en Jutten tegen “Denen”. Hnaef van de Schelde-dynastie sneuvelde in het gevecht en Hengist werd de nieuwe leider van de “Denen”. Men sloot vrede en Hingest mocht met de rest van de “Denen” vertrekken. Hengist zat in Deens Zeeland, in de lage landen bij de zee. (44)

Ook Engeland (45) kan ons helpen:
-”on fresingmede” was een toponiem in de buurt van Buckland, Denham. Gemakkelijk te vertalen als Friezen uit het land van Buc (Vlaanderen) in een Deneham (laag dorp op een ham).
-”Fresnotus” was de naam van een Kentse monnik. Frisnoth was volgens Gysseling ook een Vlaamse naam.
-De vele “Frieze-tun” toponiemen kunnen aan de andere kant van het water ook verwant zijn aan de vele -tun toponiemen in de buurt van Bonen (Boulogne) en de vele Fris-toponiemen tot aan de Seine.
Hieronder volgt wat meer uitleg over de alternatief voorgestelde Friese grensnamen:
-”Inter Laubachi et Wisaram et Cisfli” Tussen de Lobbesbeek en de Oise en deze kant van het Fli (Seine). De kant van het Fli en de rechteroever van de Oise (Wisera) begrensden eenzelfde streek.
-”Trans Laubaci” Over de Laubeken. (baci, meervoud van bacus) De Laubeken waren dan de Hene en de Laubac en de Samber vanaf Lobbes.
-”Inter Fli et Sincfalam” Tussen de Seine en het Zwin, de gehele Friese streek tussen de Seine en het Zwin.
-”Apud occidentales Fresionea inter Flehi et Sincfala” Bij de westelijke Friezen tussen Seine en Zwin.
Fli en Flehi komen afwisselend voor. Willibald von Mainz (achtste eeuw): “De Friezen tot aan de Fleo-rivier toe noopte hij (Widukind) het geloof in Christus te verzaken...” (46) Widukind leefde iets oostelijker tussen Seine en Zwin. Denk aan Attigny waar hij zich liet dopen.
-“ad Amorem / in Amore” Dat kan staan voor rivier-moere of rivier-zee, Het Kanaal en de Noordzee als een brede rivier die zee is. Aan de kusten van Het Kanaal en de Noordzee tot aan de Schelde waren ook overal moeren (meren of binnenwateren) te vinden. Andere namen in Continuationes 17 “alto mare” en in Annales Mettensis Priores “Altum mare”, wat kan worden vertaald als de hoge, grote of volle zee. De moribus et actis primorum Normanniæ ducum (Dudo van Saint-Quentin) schrijft “fluvio Almerae”. Willibald von Mainz (achtste eeuw): “Het lichaam van de zalige priester...werd met goede zeilen en bij gunstige wind over de zeestraat die Aelmerae heet overgebracht naar bovengenoemde stad Trecht(47)…” Zeestraat Aelmerae: Het Kanaal? Pas in de elfde eeuw komen we met Tiberius C. XI uit de bibliotheek van Cotton af met “Almere” (48) Almere staat in de vroege middeleeuwen voor fluvium, flumen (grote stroom) stagnum (meer) fretum (zeestraat) en sinus maris (zeegolf).

Verdere uitleg:

Sincfal-Schelde. Dat water was een belangrijke ader die inderdaad een grens aanduidde. Hludwig bouwde zijn rijk aan de Schelde in het oosten en zuiden verder uit. Na de opsplitsing van het Karolingische Rijk in 843 en 872 werd de Schelde de grens tussen Austrasië en Neustrië.

“Oise”. Wisara kan uit Wisara en Isara komen. (49)

“Lobbes”. De vormen uit de Lex Frisorum waren Laubachi en Laubaci. Dat “laubaci” voor de beken van en naar Lobbes (Hene, Laubac(h) en Samber) kunnen staan, merken we aan de geattesteerde oude namen voor Lobbes. (50) en aan de beek die door Lobbes vloeit. De Laubac(h) mondt in Lobbes in de Samber uit. Het is de Laubac die de Samber en de Hene (Oud Nederlands voor Hagebosbeek) quasi aan elkaar hangt te Anderlues. We mogen ook niet vergeten dat de Hene en de Samber grensrivieren waren, in de 5e eeuw tussen de Salische en  Ripuarische Franken, dan onder de Merovingers tussen Austrasië en Neustrië en tot 1050 tussen Brabant en de Henegouw. Het was dus normaal om die in de Lex Frisionum ook als grenzen terug te vinden.

“Fli”. Het Oudnederlands heeft flie, fli, fle en vlie voor een stroom of waterloop. Dat Fli voor de Seine kan staan, is tot op vandaag nog merkbaar in enkele toponiemen die langs die Fli- (51) liggen: Barfleur, Crémanfleur, Fiquefleur, Flicourt, Harfleur en Honfleur. (52) Ook Godefroid Kurth (75) schrijft dat, wanneer in West-Europa een grote rivier van naam veranderde, er in de omgeving van vooral de bron of de monding (zoals hier) meestal nog toponiemen liggen die herinneren aan de oude naam. Zoals Honte, Hontenisse en Hontemuden bij de Schelde (vroeger De Honte). Muids op de Seine is een woord dat ook te Gent voorkomt als Mude, Muie en Muide en dat 'hoogte bij stilstaand water' betekent. Kunnen die woorden Vlaams-Friese synoniemen zijn? De Seine-oever heeft talrijke Germaanse (Vlaams-Friese) toponiemen, zoals Le Havre (haven) Caudebec (koudebeek) le Landin (landing) Juziers (Giso) en zoveel Germaanse namen met -villla (ville).

De naam “Seine” komt van “Dea Sequana”, de riviergodin Sequana die werd vereerd aan de bronnen van wat nu de Seine heet, de Fontes Sequanae of de bronnen van Sequana. De rivier heette vroeger 'Fluminis Sequana' en 'Flot Sequana'. Oud Frans kende ook het woord 'fluet' voor een rivier, een woord dat kwam van het Diets *fluod. Dat haar naam werd gebruikt om de meer algemene en veel voorkomende naam 'vliet' (fli-) en 'vloet' (flot) te vervangen, lijkt mij logisch. “De vloet van Sequana” en “de Sequana” zullen wel naast elkaar hebben bestaan totdat het uiteindelijk gewoon Sequana/Seine bleef.

 

 

DeaSequana1.jpg

DeaSequana2.jpg

DeaSequana3.jpg

“Dea Sequana” op een eendboot en twee moedwillig vernielde – want heidense – beelden van haar. (53)

Andere teksten over een Friesland in het zuiden:

-Plinius schreef dat de Friezen aan de kust tegenover hun Britse overbuur woonden. (54) Hij schreef dat de streek drijvende eilanden had. De laatste van dergelijke eilanden zijn tot nu te ontdekken in de “Watergangs” van Sint-Omaars en aan de Somme bij Amiens in de “Hortillonnages”.

 

Drijvende eilanden in “les Hortillonnages”te Amiens (postkaart van rond 1900, publiek domein)

Plinius meldde dat een Romeinse officier 23 eilanden kende. Het kan niet over de nu gekende Waddeneilanden gaan, maar over een streek van toen die op de huidige Waddenzee trekt en dat was in die tijd waar nu Frans-Vlaanderen ligt. Op Wikipedia (55) schrijft men dat o.a. de Sint-Marcellusvloed van 1219, de Allerheiligenvloed van 1170, de Sint-Nicolaasvloed van 1196 en de stormvloed van 1214 verantwoordelijk waren voor het ontstaan van twee grote binnenzeeën in Nederland, de Zuiderzee en de Waddenzee. Drusus voer in -12 over een ondiepe zee en strandde. De vloot van Germanicus (56) die in 16 uit Germania voer, verliep nogal chaotisch. Een plotse zuidenwind stuwde verschillende schepen mee tot ze strandden op eilanden, andere schepen laveerden tussen gevaarlijke diepteverschillen, liepen averij op, maar konden op zee moeilijk ankeren. Sommige schepen raakten uit koers tot in Engeland. Een drieriemer van Germanicus slaagde erin om op de kusten van de Chauken, het Moeren-gebied van de Menapiërs, te landen. Chauken waren bewoners van de wat 'hogere' plaatsen. Ze brachten er dagen door op klippen en kapen tot het water weer zakte na de storm en de wind voor hen gunstiger blies. Er werd ook gezocht naar de andere schepen die zoek waren geraakt tussen de vele eilanden.

-In Caudebequet (Koudebeekje) aan de Seine, duidt men een plaats aan waar Wulfram/Wolfram inscheepte naar de Friezen en er ook terugkeerde: Le port et le quai de Saint-Wulfran. (57) De weg over het water was in die tijd de vlugste en veiligste weg. Via de Seine naar het grote deltagebied en terug, lag als reisweg voor de hand. Wolfram ging eerst naar Willibrord maar missioneerde vooral in de omgeving van Radbod. Hij kan de zoon van Radbod hebben gedoopt en zelfs Radbod zag maar op het allerlaatste moment af van een doopsel. Wulfram trok zich na zijn reis naar Friesland weer terug in de Abdij van Fontenelle waar hij in 703 stierf.

-Beda (†735), een Engelse monnik, gebruikte de term Frisia citerior voor alle Friezen die aan de overkant van Het Kanaal woonden, dicht bij de Kentse kust. Citerior, letterlijk nabij of dichtbij, sloeg op de streek tussen het Zwin en de Fli (Seine) en Frisia ulterior op de andere kant naar de Rijn. Frisia citerior kan dan niet anders zijn geweest dan het gebied van de westelijke Friezen dat het dichtst lag bij Engeland. Wikingen die de abdij van Sint-Vaast in Atrecht (Trajectum, Arras) in 841 aanvielen, joegen de monniken op de vlucht. Die haastten zich via Frisia naar Engeland.

-In Alcwins levensbeschrijving van Willibrord staat: (Willebrordus)...”pervenit in confinio Fresonum et Danorum ad quandam insulam.” Ik kan dat vertalen als ...Willibrord kwam bij de grens van Friezen en Denen aan een eiland... of ...aan de grens waar Friezen en Denen woonden, kwam hij aan een eiland...(58)

-Citaat: “Sommige historici en kroniekschrijvers beweren dat in 876 Rollon en zijn Noormannen de Seine opvoeren en in de vallei van St. Gertrude, te Ansgoth, het lichaam van Sint Hermentrude neerlegden die zij uit Friesland in het land van Ragenher Langhals hadden meegebracht.” (59) Ragenher I was graaf van Henegouwen, waardoor Henegouwen volgens deze tekst ook deel uitmaakte van Friesland. Ragenher wordt als stamvader van het huis van Brabant gezien. Samen met Radbod had hij nog tegen de Denen van Rollo gestreden. Rollo had Ragenher daarbij gevangen genomen. Rollo vertrok met het losgeld dat hij voor Ragenher had gekregen naar Normandië. Ansgoth was een metgezel van Rollo en kwam dus waarschijnlijk ook uit dezelfde streek van het Moerengebied tot Henegouwen. Hij zorgde met zijn motte voor de naam van het dorp bij de Seine dat nu nog altijd “Ansgoth Sainte Gertrude” heet.

-De “pallia Fresonica” waren typische Friese mantels van de schaapsboeren aan de Noordzeekust. “Fries” kan hier staan voor “van Friesland” of “volgens een Fries model” of zelfs gewoon “door Friezen verhandeld”. De productie vond volgens Pirenne vooral in Vlaanderen plaats. Er zijn resten van zulke pallia gevonden te Zelzate, Knokke en Antwerpen. Bij opgravingen kwamen ook spinklossen en weefgewichten voor die men gebruikte voor producten uit de vlas- en wolteelt. Archeologisch liet die nijverheid door een ongunstige bodemsamengesteldheid weinig sporen van textiel na. Tussen 823 en 833 bestelde de Normandische abdij van Sint-Wandrille grof linnen in Vlaanderen. De rijke monniken van de abdij verkozen liever verfijnd Fries linnen. De woorden Vlaams en Fries toonden in het begin dus vooral een kwaliteitsverschil aan. De abdij van Fulda schreef over een schorreboerderij in Frisia die een set van 855 pallia leverde aan de abdij. Textiel kwam dus niet uit de steden. Het weven van de stoffen was vooral een huiselijke nijverheid van de boerderijen langs de kust waar de schapen op zilte weiden werden gekweekt. Karel de Grote schonk twee mooie pallia aan de kalief van Bagdad. In de Engelse vertaling van de Historia Augusta (einde vierde eeuw) bij “The Two Gallieni” staat “Can the commonwealth be safe without Atrebatic cloaks?” (60) De Atrebaten leefden in de buurt van Atrecht (Arras). De stadsnaam komt van hun naam. Atrecht was in de zesde eeuw het grootste textielcentrum van Noord-Romeinse rijk. Kamerijk (Cambrai) had in de derde en vierde eeuw ook een textielproductie en -handel die reikte tot de Middellandse Zee. (61) Samen met de streek van Doornik waren die textielcentra al in de derde eeuw in de Romeinse republiek en internationaal gekend. Fries textiel van de Atrebaten! (62) Pas in de 12de eeuw kreeg de naam Vlaams laken de overhand, laken dat op dat moment heel Europa veroverde, waarschijnlijk omdat de merknaam “Vlaanderen” toen meer opbracht dan “Fries”, wat in het begin omgekeerd zal zijn geweest. Textiel werd thuis geweven. De Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars eiste rond 850 van de vrouwen op hun domein een heel (horigen) of half (vrijen) stuk textiel, een ladmo. De rest mochten ze verder verhandelen. (63)

In het noorden zouden de aangelande Friezen ook schapen kweken voor de wol, maar dat evolueerde niet zo gunstig. Door dijken en ontginningswerken ontstond er te veel veenvorming met ontzilt water, wat de schapen minder verdroegen. Schapen hadden brak water nodig omdat alleen in die omgeving schadelijke parasieten niet konden gedijen. (64) Tegen de elfde eeuw was in het noorden vooral de handel in runderen, paarden en zuivelproducten belangrijk. Vlaanderen bleef ondertussen wel volhouden met zijn wolproductie en florerende textielindustrie.

-Einhard of Eginhard (770-840) was een Frankisch geleerde en dienaar van Karel de Grote en Hludwig I. In zijn Vita Karoli Magni, schreef hij over “...een golf ten oosten van de westelijke oceaan...Waar vele stammen wonen; Dani namelijk en Sueones, die wij Nordmannos noemen...” Die oostelijke kant van de oceaan moet het West-Europese vasteland zijn geweest. Die golf was dan de Rijn-Maas-Schelde-delta. Scandinavië ligt aan de noordelijke kant van de Oceaan. (65) Van de Eems tot de Elbe vinden wij eerder een aantal naast elkaar liggende inhammen dan één baai.

-Annales (66) Regni Francorum (809): “De keizer (Karel de Grote) besloot om een Frankische sterkte met een garnizoen te bouwen aan de overzijde van de Albis, omdat hij veel over de arrogantie en trots van de Deense koning (Godfried) had gehoord. Voor dit doel bracht hij mannen uit Gallië en Duitsland samen, uitgerust met wapens en andere nodige zaken, en beval om, vanuit Germanië door Gallië via Frisia naar Walcheren, hun doel te bereiken.” (67)

Karel was dat gebied nog aan het veroveren via het binnenland naar de oostkusten van de Noordzee. De overzijde van de Albis is perfect te plaatsen bij de Aube (eens Albis) in wat nu Noord-Frankrijk is. Daar zitten we in het oosten ook met de grenzen tussen Gallië en Duitsland. In het noorden kan dat niet. En om bij de Denen te geraken moest je het oude Frisia door. Het noordelijke Friesland was zich in deze periode pas aan het vormen met (weer) binnenkomende Friezen, Saksen en Angelen. De Saksen die men later versloeg aan de boorden van de Albis – tienduizend mannen met vrouwen en kinderen als we de bronnen mogen vertrouwen – werden door Karel de Grote gedeporteerd binnen Gallië en Germanië, tot aan de kusten van de Oostzee. De archeologische vondsten bij Vron in Normandië kunnen een relict zijn van dit conflict.

Karels opvolger heeft trouwens in dezelfde streek gevochten en gewonnen tegen de “Denen”, te Saucourt (881) in Picardië. Na de slag had hij nog problemen met de daar in de buurt wonende Denen.

-Einhard (68): “De Dani en de Sueones, die wij Nordmannos noemen wonen aan zijn noordelijke kust” (van de sinus) “en op alle eilanden” (in de sinus). De sinus (bocht of baai) past best bij de Aa-Schelde-Maas-Rijn delta, vanaf Het Kanaal tot en met de eilanden van Zeeland. De Friese kust van nu was dan nog een groeiend grensgebied, een streek die pas aan het “droogvallen” was en waar mensen pas vanaf die tijd meer naartoe verhuisden. De Dani (laaglanders in Zeeland en Vlaanderen), Suenen (van het Zwin) waren allemaal noordelijke mensen die woonden aan de Noordzee of de noordelijke kusten met vele eilanden. “De Sclavi en de Aisti en andere volkeren bewonen de oostelijke kust, onder hen zijn de belangrijkste die Welatabi tegen wie de koning oorlog voerde. De sinus (baai of golf) is van onbekende afmetingen, maar is nergens meer dan 100 mijl breed en vaak minder.”

De Sclavi, de Aisti en andere volkeren woonden in het oosten aan de oostelijke kusten, waar ik dan de Oostzee in herken. Dat ze oorlog voerden, had te maken met de expansiepolitiek van Karel de Grote, die in hun rijk een nieuw Saksenland vorm wilde geven.

-Dat Denen en Friezen in dezelfde buurt woonden kan men ook halen uit volgende tekst: ...Vertrekkend van Keulen gingen zij naar Dorestad en bij de Friezen en kwamen in de vooravond bij de Denen aan.“ (69) Denemarken ligt echt wel te ver om daar 's avonds al te geraken vanuit Keulen. Ik zie eerder Denen van Domburg of Walcheren voor mij.

Conclusie

De stamboom van de Oud-Friese koningen moet met de nodige omzichtigheid worden benaderd. De beschrijvingen die men vanuit het huidige Friesland naar voor schuift, hebben een eigen invulling gekregen. Alle verhalen werden getransponeerd naar de huidige Friese streken. Men wil(de) persé dat alles zich binnen het huidige Friesland afspeelde, ook wat bij voorbeeld in het eerste millennium gebeurde. Bij nader inzien is dat niet vol te houden.

De vroegste verhalen van de historische Oud-Friese koningen moeten eerst worden gescheiden van hun legendarische collega's. Daarna kan worden gefocust op de geografische mogelijkheden van de actieterreinen van die Friese vorsten. Merkwaardig is dan te ontdekken dat die vorsten hun leven hadden tussen Zeeland en de Seine: Folkwalding, Bonen, Schelde – Radbod, Rijn, Keulen, Sens – Gondebald, Proto-Frankrijk, Metz, Bourgondië – Godfried, Gent, Ascloha, Picardië, Beauvais – Diederik II Vlaanderen, Vermandland, enz. Met Diederik III lag 'Friesland' definitief in het noorden.

De oudste bronnen die ons iets vertellen over de vroegste Friezen, Saksen en Denen zijn allemaal afkomstig uit het grote deltagebied. De situatie van Frisia veranderde hevig vanaf de zevende eeuw. Ten zuiden van de Rijn waren telkens conflicten met de Franken, waarbij de streken enkele malen van eigenaar wisselden. Wanneer Pepijn de Korte monetaire hervormingen doorvoerde, werden de nieuwe munten in grote getale gevonden tot aan de Rijn, nooit ten noorden van de Rijn. (70) In de achtste eeuw staken de Franken met Karel Martel ook de Rijn over naar het noorden. Het bleef een wrede strijd van die Franken tegen de Friezen en Saksen, allemaal Denen. Met Karel de Grote migreerden de Friezen (weer) naar het noorden, samen met de Saksen overigens, waarbij heel wat toponiemen meeverhuisden, een veel voorkomende situatie bij migranten. De veroverde gebieden en plaatsen kregen van de Franken de namen die in de Lex Frisionum waren gebruikt. Beetje bij beetje golden in het noorden wetten voor Friezen en Saksen die de Franken oplegden, samen met politieke beloningen (titels en macht) voor de “gewilligen”. Lodewijk de Vrome schonk bij voorbeeld het erfelijk recht op voorouderlijk landbezit van de Friezen en de Saksen terug die Karel de Grote hen had afgenomen. Daarmee maakte hij de stammen vooral sedentair en minder gevaarlijk, (71) zodat de vrede beheersbaar bleef. Austrasië zou met handelsvoordelen ook een belangrijke regio worden voor de Karolingers. Zo ontstond in het noordoosten naast de Friezen ook een belangrijke Saksische dynastie. De oudste oorkonde in (Nederlands) Friesland zelf dateert uit de veertiende eeuw (1340), Oost-Friesland heeft een oudere oorkonde uit 988 (Wildeshausen).

Volgens Friese sagen uit de vijftiende eeuw begon de kolonisatie in het noorden met drie broers, Friso, Saxo en Bruno. (72) Hun nakomelingen leefden onder het bestuur van “Denen” voor ze zich vrij konden maken door (christelijk) op te gaan in het volk van Karel de Grote en zijn opvolgers. (73) Ze verhuisden dus noordwaarts en maakten een woest land vruchtbaar en goed bevolkt: “Toe leste God gaf to hant – Dat se quemen an een lant... In dat noerden quemen si an – Van hem sproet menich wyf ende man – Dat lant, dat woeste was en to vore – Makeden seer goet ende utvercoren.” (74)

Heel de geschiedenis van de Denen, Friezen, Saksen en wikingen die men in het noorden wil doen starten, komt uit vooringenomen bronnen die pas in de dertiende eeuw, eeuwen na de gebeurtenissen, opgeschreven zouden worden. Het grote werk, scheiden van de gebeurtenissen tussen wat in het zuiden en in het noorden gebeurde is een stevige uitdaging voor onze toekomstige historici.

 

 


Voetnoten en bronnen:

1 “Frisia etiam, quondam potentissimum regnum, que Dacos attingit...” Friesland, ook, ooit het machtigste rijk dat tot de Denen behoorde (meestal vertaald als: aan de “Dacos/Denen” raakte)...  Uit: Jongkees A.G, Burgundica et varia: Keuze uit de verspreide opstellen van prof. dr. A.G. Jongkees... Uitgeverij Verloren Hilversum 1990 p. 34. (Een uitspraak van kardinaal Jean Jouffroy (op 2 maart 1448) gericht aan Philips de Goede.) Het Latijnse “attingit” (derde persoon enkelvoud) komt van “attingere” en betekent onder andere in contact komen met, aanraken, in de buurt liggen van, grenzen aan, te vergelijken met, behoren tot... https://en.wiktionary.org/wiki/attingo#Latin maart 2018

2 Winsemius Pierius (Winsemium Pierium), Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant, beginnende van den jaere nae des werelts scheppinghe 3635 ende loopende tot den jaere nae de gheboorte Christi 1622 Drukkerij Jan Lamrinck Franeker 1622

https://www.genealogieonline.nl/stamboom-geerts/I15772.php maart 2018

4 Nennius cap. 31

5 Fran kan te maken hebben met “foran” of “faran”, degene die aan het hoofd stond: hij die vooraan staat en richting geeft. (Zie bij die woorden op INL.)

6 Frisians in Anglo-Saxon England: a historical and toponymical investigation. In Fryske nammen 3, nr. 597. Fryske Akademy Ljouwert 1981 p.76

7 Beowulf, verzen 1124-1128, vertaling in eigen West-Vlaams Diets en Nederlands

8 “Forestiers” voor waldheren is een twaalfde eeuwse constructie van Andreas van Marchiennes. Zie op http://laaglandsinfo.jouwweb.be/gevarieeerde-verhalen/forestier-boswachter

9 Die reuzen waren “roes, rus” of riet-bewoners die aan de rivieren woonden, er macht hadden en tol inden. Zie http://wikingen.jouwweb.nl/meer-over-de-wikingtijd/russen-en-reuzen

10 de Coussemaker Charles Edmond Henri, Chants populaires des Flamands de France. Uitgave F. en E. Gyselynck, 1856

11 https://nl.wikipedia.org/wiki/Audulf maart 2018

12 “ibique honorifice susceptus a barbaris ac rege illorum Aldgislo” (...Hij (Wilfrid van York) werd met eer ontvangen door de barbaren, Aldgisl...)

13 “...anno 677 Aldgislum regem fuisse Frisiae liberae, neque tunc Frisiam sub ditione regum Dagoberti II et Theoderici fuisse, vel contra Francos bellum gessisse.” Hist. Britann. I p. 64

14 Gravure van Jacob Folkema (1692-1767) naar een tekening van Louis Fabritius du Bourg (1693-1775) Museum Kennemerland Beverwijk

15 https://nl.wikipedia.org/wiki/Finn_Folcwalding maart 2018  
Braune Wilhelm (herausgegeben), Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur XXXV Band Halle 1909 p. 535
http://vogala.org/tekst/oudfries-karel-en-redbad maart 2018
http://www.bouwebrouwer.nl/oudfries_recht/fan_dae_koningen_kaerle_ende_redbad.html#sdfootnote1sym 03.2018

16 -Uit de Chansons de Geste: Raimbaus, Rainbaus, Raimbaut, Re(i)mbaut de Frise, le fris(on), seigneur de Frise, leenman van Karel de Grote (Reinbaut); (Rainbalt); Gau; Ranbaut (vader van Flandrine); Rabeu le Freis, Robrieu lo Frès; (familie van Hernaut de Moncler), Rembalt, Nubaldo; Ranbalt; Raibaut (pair); Renbauz (compagnon van Simon de P.) Rainbauz, Rainbaut; Gyeffray le Frison
Beckmann Gustav Adolf, Onomastik des Rolandsliedes: Namen als Schlüssel zu Strukturen, Welthaltigkeit und Vorgeschichte des Liedes Walter de Gruyter GmbH Berlin 2017 deel C.6.3.8 Die achte eschiele

17 Zie discussie op http://www.nifterlaca.nl/read.php?3,18735,18853#msg-18853 maart 2018

18 van der Aa A J, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1. J.J. van Brederode, Haarlem 1862

19 van der Aa A J, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 7. J.J. van Brederode, Haarlem 1862 Met als bronnen: Schotanus, Friesche Hist. (17de eeuw) Sjoerds, Jaarb. van Friesl. (18de eeuw) Wagenaar, Vaderl. Hist. (18de eeuw) Kok, Vaderl. Woordenb. (18de eeuw) Bosscha, Neêrl. held. te land (19de eeuw) Eekhoff, Geschied. van Friesl. (19de eeuw) Arend, Algem. Geschied. des Vaderl. (19de eeuw) van der Chijs, de Munten van Friesl. (19de eeuw)

20 Gondebuef In de Chansons de Geste Collectif, Table des noms propres de toute nature compris dans les chansons de geste Slatkine 1974

21 Saxenlied verzen 4535, 5347, 5391 (uitgave Mentzel en Stengel, Marburg 1906-1909)

22 Het tapijt hangt in het “Museo Nazionale de Firenze” in Italië.

23Citaat op p. 208 (Hayez):
“Gondelbues Godebues Gondalbond Gandellodus dans l'Excellente Chron. de Brabant. Hamconius parle de ce personnage dont il fait le huitième roi de Frise et le fils d Adgillus II. Dans le roman d'Aubri li Borgonnon quand Baudouin comte de Flandre veut venger sur lui la mort de ses cousins toute sa cour intercède en faveur du noble étranger qui est appelé Alemant par le poète.”

24 Hayez M (ed.) Mouskes Philippe, Chronique rimée, Volume I Brussel 1836
de reiffenberg Fr. (ed.), Phillippe Mousket, Chronique rimée. Brussel 1836

25 Citaat op p. 369 (Hayez): “La chronique manuscrite du Saint Sépulcre de Cambrai qui va jusqu en 1090 appelle Radbod Robuet le Sarrasin. P J Heylen qui la cite au tome IV des anciens Mémoires de l'Académie de que ce que le peuple appelle Sarrasins peut signifier les Normands, Frisons, etc.”
Hayez M (ed.) Mouskes Philippe, Chronique rimée, Volume I Brussel 1836
de reiffenberg Fr. (ed.), Phillippe Mousket, Chronique rimée. Brussel 1836

26 http://bouwstoffen.kantl.be/remlt/ maart 2018, pdf p.79-80

27 Gondebant, Gonde(l)buef, (li) le, frison(s), li fris, koning van de Friezen; leenman van Karel de Grote; aanwezig bij het proces tussen Yoen en Otte (Gondebande)
Gendebant (Gondebant) koning; bondgenoot van Garijn
Gaudebaut die Vriese, ridder in dienst van koning Karel de Grote; aanwezig op het toernooi in Eggermont
Gundeluff alias der Vrese; koning van Vreyslant; bezit het paard Mantalint; bondgenoot van Karel in de strijd tegen Agolant (Gundelaff, Gundelhuff, Hundebolt)
Goudebuef die Vriese;
Gandelbodus; begraven te Gelijn
Gandellodus (Gandeboldus rex Frisie) koning van Vrieslant; aanvoerder in het leger waarmee Karel de Grote zich naar Spaengien begaf; begraven te Belijn (Gandelbodus)

28 Nieuwenhuis Domela, Het Friesche bestanddeel in den Nederlandschen stam, voornamelijk in West- en Fransch-Vlaanderen. Rede uitgesproken door Ds. J.D. Domela Nieuwenhuis - Nyegaard, Hervormd predikant te Gent in Vlaanderen in het Alg. Nederl. Verbond te Gent. In De Tijdspiegel jaargang 69 1912 p. 346

29 Zijlmans Roel, Troebele betrekkingen: Grens-, scheepvaart- en waterstaatskwesties in de Nederlanden tot 1800 Uitgeverij Verloren Hilversum 2017 p. 70

30 Ammianus Marcellinus, Historiën 4de eeuw

30a http://www.proto-english.org/l10.html  september 2018 

31 Tacitus Germania 34: “Utraeque nationes usque ad Oceanum Rheno praetexuntur, ambiuntque inmensos insuper lacus et Romanis classibus navigatos.” Lacus: “A large body of water which rises and falls.” Op: http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus:text:1999.04.0059:entry=lacus maart 2018

 

32 iLeges Visiogothorum (vijfde-zevende eeuw, In 768, ruim 260 jaar na de eerste versie, bestudeerde en erkende Karel de Grote de “Lex Romana Visigothorum” en tot de negende eeuw werd de wet nog dikwijls aangepast.) Lex Burgundionum en Lex Romana Burgundionum (vijfde-zesde eeuw, deze wet bleef gelden tot in de negende eeuw. De Franken versloegen de Bourgondiërs in 534 maar het Bourgondische recht bleef gelden.) Edictum Theoderici (±520, om vooral geschillen tussen Romeinen en Germanen te beslechten.) Leges Langobardorum (643-866, na de Frankische verovering van Lombardije door Karel de Grote bleef de wet vooral geldig in Zuid-Italië tot in de elfde eeuw.) Lex Salica (zesde-negende eeuw, gestart in de tijd van Hludwig. De wet, of delen ervan bleven heel lang geldig. In 1991 heeft België nog een onderdeel over mannelijk erfrecht afgeschaft.) Lex Ripuaria (623-639, kwam tot stand onder Dagobert I, voor de Germanen vanaf de oostelijke Rijnoever.) Lex Alamannorum (zevende eeuw, voor de Germanen tussen de Rijn en de Donau.) Lex Baiuvariorum (740-748, Beierse wetten, door Franken geïnstalleerd.) Lex Francorum Chamavorum (negende eeuw) Lex Saxonum (803, opgemaakt onder Karel de Grote, nadat hij de Saksen had verslagen en om hen kalm te houden waar hij hen had gedropt in Noord-Europa.) Lex Thuringorum (negende eeuw, voor de Thuringer Germanen) Lex Frisionum (785)

33 Het ware goed om voor de conventionele namen op te zoeken welke de oudste “Noord-Duitse” bronnen zijn waar die naam opgeschreven staat.

34 Bachi, meervoud van bachus. Het gaat dan over minstens twee beken.

35 Nègre Ernest, Toponymie générale de la France: Tome 3, Formations dialectales (suite) et françaises : étymologie de 35000 noms de lieux Librairie Droz Genève 1998 p 1788. Hij vermeldt tientallen toponiemen tot aan de Seine en nog verder. Zie mijn boek over de wikingen op pagina 359 (voetnoot 143).

36 Frisians in Anglo-Saxon England: a historical and toponymical investigation.

In Fryske nammen 3, nr. 597. Fryske Akademy Ljouwert 1981 p. 48

37 Vita Sint-Desiderati

38 Henstra Dirk Jan , Popkema Anne Tjerk, Fon jelde: opstellen van D.J. Henstra over middeleeuws Frisia Groningen Barkhuis, 2010 p. 51.

De vroegst overgebleven versie van de Lex Frisionum is een in 1557 te Bazel verschenen uitgave van Herold. Een negende eeuwse tekst uit Reims (!) maakt alleen melding van een Friese wet.

39 Voor de conventionele theorie zitten we in het noorden met volgende “oude” plaatsen: Wezer: Bremen (naam vanaf negende-tiende eeuw) Minden hoorde bij de Franken (rijksannalen 798) Vlie en Almere:? Sincfal: zie artikel hierboven. Ook voor de Elbe vinden weinig verhaal voor die tijd: Stade (oude haven, eerste vermelding van de naam in 994) Hamburg (vanaf 825) Brunswijk (Braunschweig 1017) Lüneburg (eerste oorkonde 956) Magdeburg (eerste oorkonde 805) Dresden (eerste oorkonde 1206)

Zoals te merken begint de middeleeuwse geschiedenis met Karel de Grote en zijn nakomelingen. Voor het overige is er tussen de Romeinse tijd en Karel de Grote weinig te schrijven over die plaatsen.

40 Einhard, vertaling Patrick De Rynck, Het leven van Karel de Grote, Athenaeum Amsterdam 1999 en Latijnse versie op internet op http://www.thelatinlibrary.com/ein.html

41 Guinet L, Otlinga Saxonia. Etude philologique, in Annales de Normandie 1978

42 Geyl P, Geschiedenis van de Nederlandse stam (1948-1959) Op: http://www.dbnl.org/tekst/geyl001gesc01_01/ maart 2018 

43 Bunte B, Beiträge zur Geschichte der Friesen und Chauken. Erster Teil. Ueber die Wohnsitze der Friesen und ihrer Nachbarn in der römischen Zeit. Hannover 1899 p. 6

44 Dat Denen laaglanders waren kan men vinden in mijn boek over de wikingen. Onlangs stootte ik nog op een tekst die ook laat uitschijnen dat ze in een soort holen woonden (hol is ook een betekenis van “den”): “in Germania autem defossae atque sub terra id opus agunt.” (Plinius, Hist. nat. XIX, 9. In Germania werkten ze begraven onder de grond. Dat “werken” gaat hier over het weven van stoffen.)

45 Frisians in Anglo-Saxon England: a historical and toponymical investigation. In Fryske nammen 3, nr. 597. Fryske Akademy Ljouwert 1981 p. 59 en 68

46 Vita S. Bonifatii, MGHS II (achtste eeuw) Op: http://archief.semafoor.info/DocumentHandler.ashx?Dir=SEM_PDF&File=SEM_04_1#page=4 maart 2018

47 Vita S. Bonifatii, MGHS II (achtste eeuw) op

http://archief.semafoor.info/DocumentHandler.ashx?Dir=SEM_PDF&File=SEM_04_1#page=4 maart 2018

48 Sommigen zien er ook “Armorica” in, maar dat verandert niets aan de hier beschreven geografische situatie, want de Seine lag aan de grens met Armorica.

49 Vandaar de volgende mogelijkheden: Wisara: Weser, Wezer, Vézère, Auvézère, Vesdre, Wesere, Oise...

Isara: Ijzer, Vézère, Vizara, Izara, Isar, Oise, Isère...

50 Laubacus (640, 752, 768, 868) ; Laubias (640, 972) ; Laubiæ super Sambram (697, 870) ; Laubacis (752, 768) ; A Laubace cenobio (752-68) ; In Cenobio Laubaco (866) ; Laubacum (908) ; Laubacensis (908, 1064, 1112) ; Lobies (980, 1155, 1210) ; Laubiensis (987, 1040, 1046, 1070, 1089, 1150, 1181) ; Lobiis (1006, 1069, 1070, 1176, 1212, 1224) ; Lobiensis (1070, 1087, 1093, 1110, 1135, 1150, 1151, 1159, 1162, 1165, 1176, 1199, 1203, 1209) ; Laubiis (1087) ; Laubie (1093) ; A Laubias (10e ) ; Laubiensi Coenobio (10e ) ; Lobis (1161, 1202, 1203)  Op http://www.notrebelgique.be/fr/index.php?nv=24 augustus 2017

51 Varianten: flie-flo-flot-floth-floz-floi-fluoth-flet-flu-flue-fluet-flueth-fleu-flet-fleth-fieu

52-Barfleur, Barbefloth, Barbeflueth in 1066 en 1077, Barbefluet 12de eeuw, Barbeflet in 1163, Barbeflo in 1175 en 1198 en Barflue in 1227. De betekenis luidt de stroom (vloed, vliet) van Barbe. Barbe kan staan voor “barbaar”, de vloed waar de barbaren, Germaans sprekenden, woonden.
-Crémanfleur (te Crémanville) De betekenis luidt vermoedelijk de stroom (vloed, vliet) van Créman. “-man” duidt op een Germaans persoon.
-Fiquefleur (Équainville) Ficquefleu in 1221. De betekenis luidt wellicht de stroom (vloed, vliet) van de vissen. Fiske is Oudnederlands voor vis.
-Flicourt (Bois de Flicourt) De betekenis laadt zich raden, maar de hypothese “vliethoeve” of hoeve aan de vliet, lijkt mij de meest logische uitleg.
-Harfleur, Harofloz in 1006, Harofloth in 1025 en Herolfluoth in 1035 De betekenis luidt de stroom (vloed, vliet) van Haro of Harold/Herold.
-Honfleur, Hunefleth in 1025, Hunefloth rond 1062. De betekenis luidt de stroom (vloed, vliet) van Hune of de honingkleurige vliet.

Het Normandische woord 'flibot' (klein vaartuig) komt van het Nederlands 'vlie(t)boot'.
De Franse woorden flûte flete fleute (klein vaartuig, vrachtschip) komen van het Nederlandse woord 'fluit' (Vlaams flute)

53 Beelden uit het archeologisch museum van Dijon. Wikipedia creative commons.

54 Hij deed dat naar aanleiding van een medicinale plant die Brittanica of Brittenkruid heette. Citaat: ...”the name given to it, however, rather surprises me, though possibly it may have been so called because the shores of Britannia are in the vicinity, and only separated by the ocean”. (Plin. Nat. 25.6, Engels en Latijn op http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus%3Atext%3A1999.02.0137%3Abook%3D25%3Achapter%3D6#note-link13 maart 2018) Men moest volgens hem vanuit Rome ook de Rijn oversteken om bij ze te geraken.
Lendering J, De randen van de aarde. De Romeinen tussen Schelde en Eems 2000

55 Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Marcellusvloed_(1219) maart 2018

56 Tacitus: Annalen II 23-24

57 Cochet Jean, La Seine-Inférieure historique et archéologique: Époques gauloise, Parijs 1866 p. 485 “Wulframus...Abbatem Fontanellae adiit...Sequanam ingressus prospero Frisiam navigio petiit...” Chronici Fantanellensis App.II c 11

58 Vita Willebrordi ab Alcuino († 804), cap. X.

59 Citaat: "Quelques historiens et chroniqueurs prétendent qu'en 876 Rollon et ses Normands remontant la Seine déposèrent dans le vallon de Sainte Gertrude le corps de sainte Hermentrude pris dans la Frise au pays de Régnier au long Col...A la période normande, ce lieu portait le nom d'Ansgoth-Moulins."

Cochet Jean, La Seine-Inférieure historique et archéologique: Époques gauloise, Parijs 1866 p. 482

60 http://penelope.uchicago.edu/Thayer/E/Roman/Texts/Historia_Augusta/Gallieni_duo*.html#ref22 maart 2018. In het Latijn: “Num sine Atrebaticis sagis tuta res publica est?” The two Gallieni Hoofdstuk zes.

61 Verhulst Adriaan, The Rise of Cities in North-West Europe, Cambridge University Press 1999 p. 8

62 Uit de “Onderzoeksbalans Onroerend Erfgoed Vlaanderen”, via het onderwerp “Pallia Fresonica” op http://www.nifterlaca.nl/read.php?3,1022,1022#msg-1022 maart 2018

63Derville A, Villes de Flandre et d'Artois (900-1500), Septentrion 2002 p. 37-53

64 Herne, p. 24

65 “...Sinus quidam ab occidentali oceano orientem versus porrigitur... Hunc multae circumsedent nationes; Dani siquidem ac Sueones, ques Nordmannos vocamus...” In Einhardi, Vita Karoli Magni, hoofdstuk 12

66 “Imperator autem, cum ei multa de iactantia et superbia regis Danorum nuntiarentur, statuit trans Albiam fluvium civitatem aedificare Francorumque in ea ponere praesidium. Cumque ad hoc per Galliam atque Germaniam homines congregasset armisque ac ceteris ad usum necessariis rebus instructos per Frisiam ad locum destinatum ducere iussisset.”

67 Albis-toponiemen: Wit Water (Henegouwen) Witte Nete (Kempen) Teralfene (Albanō) nu Bellebeek (Alba-beek) twee keer “wit water” (Oost-Vlaanderen) Aube (zijrivier van de Seine in Frankrijk) Aube (zijrivier van de Thon in Frankrijk) Albe (zijrivier van de Sarre in Frankrijk) of Albarine (zijrivier van de Ain in Frankrijk).

68 Vita Karoli Magni, 12

69 “...pervenerunt Coloniam...Inde egressi, per Dorstatum et viciniu Fresonum transeuntes, ad confinia pervenerunt Danorum.” Vita Anskarii

70 Pepijn introduceerde een nieuwe penning van 1,3 gram zilver. Dit geld werd ook in Dorestad geslagen. Zie Herne, p. 16

71 Dat verhuizen vanuit Vlaanderen naar het noorden zou nu en dan nog gebeuren, tot in de glorietijd van de Hanze.

72 Ze waren volgens die sage wel vanuit India vertrokken. Maar dat gefantaseerde “India” kan komen van het Latijnse “inde”, dat “vandaar” of “die andere plaats” betekent.

73 Gesta-cyclus Friesland

74 Epkema, Oude Friessche Kronijken II, 212

75 Kurth Godefroid, La frontière linguistique en Belgique et dans le nord de la France. Brussel 1896 (reproduction anastaltique 1974 p. 69-70)