Welkom op

topografie


 

Tekens

 

 

Hieronder som ik de meest voorkomende suffixen en prefixen op die in Normandië te vinden zijn. Telkens probeer ik de connectie met de Nederlanden te verduidelijken.

De eerste uitleg vermeldt in cursief wat officieel gangbaar is, wat ik in boeken en op internet als uitleg heb gevonden. De andere besprekingen zijn van mijn hand.

Onderstreepte toponiemen zijn bestaande namen in Normandië. Tussen haakjes staan de teruggevonden oudere varianten, soms vergeleken met homoniemen uit Groot-Brittannië.

T: Betekent dat ik bestaande (of historisch aanwijsbare) toponiemen opsom, waar mogelijk onderverdeeld in plaatsen in België (B:) Nederland (N:) of (Noord) Frankrijk (F:) Normandische plaatsen staan apart vermeld.

V: Een eigen reconstructie naar een hedendaags Nederlands of Vaams om een Verwantschap aan te duiden (hypothetisch cognaat).

* voor een woord betekent een wetenschappelijk gereconstrueerde vorm van een woord

– ↓ betekent: zie pagina 'bronnen'.

Sc: Scandinavisch

AS: Anglo-Scandinavisch

N: Nederlands (van vroeger tot nu)

onl: Oudnederlands. Voor woorden in het Oudnederlands heb ik veel nuttige informatie gevonden bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie: http://www.inl.nl/ (de informatie is verzameld tussen januari en december 2012)

mnl: Middelnederlands

12de betekent 12de eeuw, 13de, 13de eeuw, enz...

 

 

 

Voor- en achtervoegsels

 

 

p1000623.large.jpg

Normandische 'bec' (foto Luc en Greta Warnez-Vanbrabant)

 

 

-acre toponiemen

Guinet () schrijft dat de vorm 'acre' tot de zesde eeuw kan opklimmen.

Saksische -akker toponiemen in Normandië:

Les Cent-Acres (Longueville-sur-Scie) L’Acre (Bretteville-sur-Laize) Acres (St-Sever) Les Acres ( Montpinçon) Les Acres (St-Germain-de-Tallevende) Les Acres (Viessoix) Les Vouacres (woudakker, Orbec) L’Acre (St-Georges-de-Rouelley) Les Acres (Authouillet) Les Acres (Ménilles) Chêne-Haut-Acre (Mélicourt) L’Acre (Comblot) L’Acre-à-la-Baratte (St-Léger-sur-Sarthe) Les Acres (Lonlay-l’Abbaye) Cinq-Acres (Le Renouard) La Demi-Acre (Chênedouit) Quatre-Acres (Beaufai) Quatre-Acres ( Tinchebray) Les Six-Acres (St-Cornier-les-Landes) Les Acrans (Laleu) Les Ancres (Gouberville) Herboutacres (Hereboldakker) Longue Acre, rue des Treize-Acres (Caen) L’Acquerie (St-Martin-de-Bonfossé)

Nog Saksische toponiemen in Frankrijk:

TF: Dampnacre (Samer) Disacre (Diedesakker, Leu-bringhen)  Hobenacre (Lumbres) Le Nacre (Guines) Widenacre ( Samer) Le Denacre (Boulogne-sur-Mer-Sud) Le Denacre (Wimille) Honnacre (Wissant) cent acres (Marquise) Lacres (St-Sauveur-l’Acre) Landacre (landakker, Hesdin-l’Abbé) Landacre (landakker, Halinghen) St-Sauveur-l’Acre, Le Renard (rijkenakker, Saint-Omer)

TB: Oostakker, Akkeren, Akker, *Brainna-akker , Buurtakker, Doodakker, Elsakker, *Eningeakker,Evenakker, Veldakker, Veenakker, hubbesakker, Kolegemakker, Oosterakker, Zuidakker, Schatakker, Steenakker, Wielandakker, Wipingeakker (INL)

TN: Akkersloot, Bergakker, Franeker (Vroonakker of vrouwenakker)

 

-bec toponiemen

Noors: -bekkr bekk

N: beki beke beek, bec...

Houlbec (Holbec twaalfde eeuw), Foulbec (Folebec 1066, Caudebec (Caldebec 1025)

V: Holbeek, Vuilbeek, Vulebeek, Koudebeek...

Andere namen met -bec in Normandië: Carbec   Krennebec   Robec   Visebec   Querbec   Trottebec   Le Bec-Hellouin (zie daar)

T GB: Fulbeck (Fulebec 11de) Caldbeck (Caldebeck 1060)

In het Oudnederlands zijn 614 toponiemen met -beek gevonden. Maar de Franse taalkundige Ridel wil niet weten van een West-Germaanse oorsprong. Bec in Normandië komt volgens haar uit het Scandinavische 'bekkr' (accusatief bekk). Het Frankische 'beke' en Duitse 'Bach' komt dan van *baki, kwam al in de derde eeuw voor in Gallië en het woord eindigde altijd op een klinker. Op INL kunnen we echter de varianten in ons taalgebied direct terugvinden: beki baec bec becc beca bach beka beke beque bac... De oudste attestatie dateert van 786. Dat op het einde altijd een klinker staat, is, zoals te zien, een foute bewering. Beek-toponiemen bestaan van in Normandië tot in het verre noorden maar dat toespitsen op het Scandinavisch is nergens voor nodig.

Veel plaatsnamen in Vlaanderen en Nederland met -beke en -beek:                                               TB: Beek, Rozebeke, Meulebeke, Hollebeke, Zillebeke, Dilbeek, Hilvarenbeek, Linkebeek, Harelbeke, Moerbeke (Morbec) Werbeek (Retie, 1186) Bollebeek (Hove, 1280)... In oudere spelling bestaan Klabbeek (*Gladbeek, Glatbeki, Clabecq, Glabbec), Heienbeek (Heiebec), Holsbeke (*Hulsbeke, Hulisbeki, Hulsebec), Lombeek (Lumbec) Beekbroek (becbruc 1300, Rijkhoven Limburg)                      TN: Beek, Laarbeek, Noorbeek...                                                                                                                   TF: Bousbeque (Bosbeke) Belbé (Belbecq, in het Boonse)

Voor Foulbec /Folebec geldt ook nog het volgende:

Sc: fúll bekkr

Veel plaatsnamen in Vlaanderen en Nederland dragen het toponiem vuil (Oudnederlands: fūl)

T B: Vuilkop ( van fūlkōp *Vuilkoop Vulecope), Vulelake ( van fūllaka *Vuillaak), Vuilenbos, Vuilepan, Vuile, Vuilpan, Vuilpanne, Vuilvoordeke

T N: Vuilendam Vuilpan Vuilvoetswade

Voor Caudebec  Caldebec geldt ook nog het volgende:

Veel plaatsnamen in Vlaanderen en Nederland dragen het toponiem -caude-, calde- (koude)

T B: Kouborre, Koudeborn, Koudekeuken, Koudekot, Koudenaarde, Koudenberg

T N: Koudekerk aan de Rijn, Koudekerke, Koudenburg, Koudenhoek, Koudenhoven, Koudhoorn

Vinden we in Robec (Rodobec Rodhebec) en Rubec niet een Roodebeek of Roesbeke terug? Denk aan Roubaix (Roesbeke) of de nederzettingsnaam 'rode'. De 'ro' van Robec haalt men uit het Noors 'rauðr', rood. Dat staat verder dan het Nederlandse rood!

Zelfs over 'Quebec', een stad in Canada, kunnen we onze gedachten wat loslaten.

Misschien heeft de naam Québec in Canada via Normandische pioniers Nederlandstalige wortels: Québec (Quebecq 1601 Kébec 1609 Quebec 1613)

N: Qué: kes (keers) of keck (energiek) of keer (denk aan Keerbergen), en beek

Er bestaan familienamen: Kesbeke, Van Kesbeke. Die zijn afgeleid van 'Van Kersebeek'' (beek waar waterkers in groeit).

V: Uiteindelijk kan Québec betekenen: Waterkersbeek of Keerbeek of Kwikkebeek!

Kebek, een woord uit de Algonquin-taal, dat vernauwing betekent is mogelijk om te gebruiken als eigennaam en oorsprong van de naam van de stad. Van de eigenschap 'vernauwing' naar het toponiem 'Vernauwing' overtuigt mij echter niet helemaal. De vernauwing van de Saint-Laurent is niet spectaculair en met de monding van de Saint-Charles rivier erbij ligt Québec op een plaats met heel veel water waar van een vernauwing nauwelijks sprake is. De komst van de Fransen die een Normandisch-Franse naam gaven aan die plaats lijkt me veel logischer! De Franstalige uitleg op Wikipedia staat dan ook in de voorwaardelijke wijs. De zeer geringe versmalling (zie Google-Maps) kan er wel voor zorgen dat het water daar wat sneller vloeit, wat kwikker, zodat Kwikkebeek hier wel een voorsprong verdient. Afgezien daarvan kan het natuurlijk ook dat de Fransen gecharmeerd waren door het inheemse woord omdat het hen deed denken aan de namen van thuis en omdat de fonetische overeenkomst ook een passende betekenis had. In die zin kan volksetymologie ook een rol hebben gespeeld.

 

 

Waterlopen in Normandië: Beaudebec, Bricquebec, Clarbec, Clibec, Équilbec, Filbec, Houlbec, Maubecq, Mobecq, Querbot( Carbec), Trottebec, Visebec 

 

 

-beuf toponiemen (Boos-, -bot)

Oud-Noors: bóða búð (hut) bóð (both)

Oud-Engels: booth.

N: 'buotha boede bode buede' :Een klein huisje, meestal een houten gebouwtje (koolboet = koolhuis), schuur, of boet: baken vuurboet, vuurbot, vierbuete: een heuvel of duin waarop vuur brandde. Een houten kapel of iets in de vorm van een kapel, zoals vlasboote (heuvel met vlas, vlasschuur of vlaskapelletje, een 'bundel' in de vorm van een kapelletje?) Het woord kan ook gewoon verwijzen naar 'hof'.

 TB: Durbuy (Derbu Dolbui, Jespers) Le Bu (Bucquoy)

 TN: Ter Boede, eens een ridderlijk slot op Walcheren.                                                                                  TF: rikisbōthla rikisbōthla *Rijksbodel (Rekspoede bij Duinkerke) batbōtha *Batboede ( Baboe bij Abbeville)

 TNormandië: Boos (Bodes 1030 Bothas 1049 met Germaanse -s meervoud) Belbeuf    Elbeuf   Daubœuf (Dalbuet 1059)

 

Bosc- toponiemen (-bosc -bus bos-)

N: busk bosc bosch bos bus...

T B: Bos, Bosbeek, Bosberg, Bosdorp, Bosduin, Bosgat, Boshoek, Boskant, Boskouter

TN: Den Bosch, Het Bosch, Boschdorp, Boschdijk, Boscheind, Boschhoek, Boschhof, Boschkant, Boschkapelle, Boschmolen, Boseind, Boshoek, Boshoven, Boshuizen, Boskamp, Bosschenhuizen, Bosscherheide, Bosscherveld, Bossenkampen

T Normandië: Bosnormand  Bosquentin  Bosrobert   Escarbosville

Bosville Bus-Saint-Rémy Auberbosc Le Bosc Bosc-Roger Bornambosc Equimbosc Bosc édelir  Hodeng-au-Bosc (Hosdinium 735, Hosdingum 854)

V: Boerderij/dorp in het bos, St.-Remigiusbos, Albrechtbos, Het Bos, Rogierbos, Bronnenbos, Eikenbos, Bos der edelen...

Bosc-Roger  Bosc-Renoult  Bosc-Robert  Bosc-Guérard / Bosguérard (Frans: ‘Bois-Gérard’)

Verwijzen mogelijk naar een Dietse Rogier, Reinout (Reginwald), Robrecht of Gerard (Gerhard).

 

-bourg toponiemen

Engels: borough, -bury

N: burg borg burgh borc... (of berg)

T B: Borght, Leopoldsburg, Limburg, Luxemburg, Middelburg

T N: Aardenburg, Culemborg (Kuilenburg) Domburg, Elburg, Kraggenburg, Limburg, Middelburg, Souburg, Spakenburg, De Stakenborch, Tilburg (tilliburg 790), Terborg, Voorburg, Waardenburg, De Wildenborch

T Normandië: Cabourg (Cadburgum 11de) Wambourg (Wamburgum 1025 Weneborch 1147) Cherbourg (Chiersburg 1070 Chieresborc 1297) Montebourg

 

-bre(c)q- toponiemen (-bre(c)que bricque-)

Noors: De bre(c)q-, -bre(c)que, soms bricque- worden geduid als het Oud-Noors brekka (helling heuvel).

N: In het onl bestaan bricke of brycke: breek, breke, brik, breuk, breuke breek breken: Een breuk in het landschap, brok, stuk. Een breuk in het landschap is ook een soort verhevenheid, heuvel.

T N: Breke (veldnaam te Schoondijke) Breukelen Breukelen-Nijenrode, Breukelen-Sint Pieter, Breukeleveen, De Brekken

Denk ook aan de oorsprong van Brooklyn (USA) door de familienaam Breukelen.

Familienamen: De Breck Brecville (iemand die in landhuizen inbrak)

T Normandië: Houllebrecque (Saint-Aubin-de-Crétot), Brecqhou en Briquedalle

Kunnen dus als Hollebreuke, Breukhoge, (Breukhoeve?) Breukedal geïnterpreteerd worden.

Sommige van die toponiemen komen misschien ook voort van 'broek' (moeras). Alleen de oudst geattesteerde vormen kunnen uitsluitsel geven.

Familienamen: Dubreucq Dubrecq.

Het kan ook verwant zijn met braak land, door het ploegen gebroken land, dat dan een tijd zo blijft liggen.

Familienamen: Braackmans Brekman Braeckeveldt Braeckers.

 

Bruque- toponiemen (-broc)

Oud-Engels: broc (> brook, kleine stroom)

N: broec broc broke bruco brok- -broke bruc- -bruc -bruca -burch -bruch broec (broek, moeras, vochtig laagland)

T B: Broek, Broekheide, Broekkant Broekzele (Brussel) Broekbant (Brabant) Broekhoven, Super broc (Ieper) bruokhēmI (*Broekheem, onbekende plaats bij Aalst)

T N: Benningbroek, Broekhorn, Broekhuizen, Broekhuizen, Broekhuizenvorst, Broekland, Broekland, Broekpolder, Broeksittard, Broeksterwoude Grootebroek, Lutjebroek, Broec, Spanbroek, Zuidbroek,Brucheim, bruokhēm (*Broekheem, onbekende plaats Zuid-Holland) Bindelmeribruok (Bijlmerbroek bij Amsterdam)

T F: *bruok ( bruec) lardabruok (*Lardbroek, bij Clairmarais) Dennebroeucq (Denebroc 1173 Denebroek) Hambreucq, Hazebrouck

T Normandië: le Fouillebroc (stroom) Bruquedalle (Brokedale 12de)

Familienamen: Van den Broecke Broeks Broekmeijer Broekhuyzen Van Broeckhoven

 

-cher- toponiemen (-quier)

Oud-Noors: kjarr

Engels: marsh, swamp

T B: Kan het van ‘keer’ (bocht, wending) komen zoals in Keerbergen (oude spelling Chierberghe)?
TN: Keerkade, Keercamp (Houten) Keerderberg (Veldhuizen)

T F: Quer- in Quercamp (Noord-Frankrijk) komt ook van Keer- (Kercamp).

T Normandië: Villequier (Villequier, Villechier 12de) Orcher (Aurichier 12de)

 

 

p1010199.large.jpg

Normandische gevel (foto Luc en greta Warnez-Vanbrabant)

 

-cliv toponiemen (-clives -lif clé- cli-)

Oud-Noors: klif

Oud-Engels: clif

N: clif klif klef clip klift (Helling, steilte, rots, rotshelling, klip)

V: Mag ik de namen hieronder zo 'vertalen'? Rijselklif, Witteklif, Waterklif, Klifdorp, Klifwiler, Kerkeklif, Steenklif, Klifbeek

T: Bergklif, Roodeklif, Kleef, De hooge klift (duin bij Scheveningen) Ruad Klif (op Sylt)

T Normandië: Risleclif (naast de Risle rivier) Witeclif (nu 'Côte Blanche' oude wijngaard te Évreux) Verclives (Warcliva 1025) Clitourps (Clitorp 1164 - 1180) Cléville(Clivilla 1121 - 1133) Carqueclif  (Kareclif 1226) Mont Entenclin (Estenclif 1262) Clibec Escalleclif

 

-cotte-toponiem

Frans: cot

Noors: kot

N: kot (boerderijtje, armoedig woninkje)

T F: Cotin (*kot Noord-Frankrijk) saltkota (*Zoutkote, Zuidkote/Zuydcoote bij Duinkerke) Bocot (nu Boncourt) Cottebronne (Pas-de-Calais)

T B: wēthakota (*Weidekote bij Ninove) KoudekotCottebrune

T N: Cota, Coten, Kot, Koten (bij Aardenburg Zeeland) Koton, Koten (provincie Utrecht) Katendrecht (*kotandreht *Kotendrecht) duskkota Duskote (bij Goor) Duscecote Duskote, modakota Modekote (bij Losser)

T Normandië: Vaucotte    Cottévrard    Caudecotte    Caudecôte    Côte-Côte    Cotte-Cotte

 

Crique- toponiemen (-crique)

Oud-Noors: kirkja

Engels: church (kirk)

N: kerk (kerke kirk kirke...) of kreek (kreke creka...)

T: Duinkerke, Middelkerke, Oostkerke, Kerkbrugge, Kerkebergen, Kerkepanne, Kerkeveld, Kerkgate

T Normandië: Querqueville (Kirkvilla) Carquebut (Kerkebu 1228)

Ten andere: Waarom zouden 'Noorse' volkeren een plaats met 'kerk' benoemen als zij zelf heidenen waren in de tijd dat ze de plaats veroverden en benoemden?

Bij de stroom la Crique spreekt men over het Engelse 'creek', maar het N heeft ook 'kreek'.

 

crot- toponiemen (-croc -crocq)

Engels: croft

N: krocht (crocht croft)

T F: Crochte

Zie ook bij 'croute' (Normandisch dialect)

T Normandië: Vannecrocq (Wanescrotum 11de) Bec-de-Croc (Bethecroth 11de)

 

Dalle- toponiemen (-dalle -dal Dau-) Zie ook bij -deel.

Oud-Noors: dalr (vallei)

Oud-Engels: dæl > dale

N: -dal -dale -daal -dael -daele -dalle

V: Dal Dalletje Diepedal Broekdale Dalbeke Beekdal Ouddale ...

T B/N: Dale, Dalle, Diependale, Dippendale, Roosdaal, Rozendaal, Berg en Dal, Wijnendale, Passendale, Herdal, Leegendael, Dolain (Dalhem) Onderdale (Ursel)...

T F: Piquendal (Pikkendal, Artesië) Rosendael, Wimendale, Mansdale (Fiennes) Wysquedal (Tourneghem) Kinendale (Asquin) Bramendal (Boisdinghem) Windal (Nortbécourt) Dippendal (Bouquehault) Dohem (Dalhem) Waterdale (Seninghem)

T Normandië: la Dallele   Dallet   Dieppedalle   Dipdal   Eurdal   Briquedalle   Louvedalle   Dalbec   Croixdalle   Bruquedal   Becdal   Oudalle   Cudale   Tyrdal   Delle

 

-dick- toponiemen

N: dijk dick dijkje

T B: Begijnendijk, Dijk, Zuiddijk, Molendijk, Reigersdijk, Zeedijk

In Brugge eindigen 17 namen op 'rei, kaai of dijk'. In Raversijde (België) zijn resten van een Romeinse dijk gevonden. In de 13de eeuw bedijkte men bij ons aan zee de polders door het droogleggen van geulen. Vandaar de toponiemen: Caeydyck, Hoge Dyck en Groenendijk (Bouckaert).

T N: Frankendic (voor 1200 vermeld bij Kloosterzande (zie studiekring) Schoondijke, Ganzedijk, Dijk, Oud-Dijk, Nieuw-Dijk, Dijken, De Dijken, Wolfaartsdijk, Zanddijk

T F: Mardyck Lodijk (Lodic) Krommedijk (Crummadic) Palingdijk

T Normandië: Haut Dick (Carentan) Dick (Vains bij Avranches en heel veel in de baai van de Mont Saint-Michel) Haguedick ( La Hague, zie daar ) Long Dicket (Auderville)

Familienamen: Varianten van... Van Dijk, Van Dicke, Dijckmans, Dickmans, Diekmans, Dykstra, de Dijcker, Dieker (dijkwerker) Dicque, Deldicque. Yvendyc

 

-deel (dell) toponiemen (Zie ook bij -dal toponiemen)

Oudnoors: deild

Nederlands (Saksisch, Fries, Vlaams): deel,  dēl (onl) deil teil deil deila daile deyle dele, diël (West-Vlaams) (soms ook dal) Guinet () laat het toponiem weer opklimmen tot in de zesde eeuw met de komst van de Saxones Bajocassini maar spreekt ook van een periode van de vijfde tot de negende eeuw.

T Normandië: La Dielle (Barneville-sur-Mer) Het deel (het dal) Dieleite (Les Pieux) Dielette ( Flamanville, Les Pieux) het deeltje (het dalletje) Les Delles (Beaumont-Hague) Les Delles (Bréville) Delle du Heccan (Ham) Delle du Grouham (Ham) Delle du Goham (Ham) Les Gredelles (grote-delen) (St-Riquier-ès-Plains) Gredolle (Valmont) Hennedelle (hen of hoender-deel) (St-Victor-sur-Avre) Maresdelles '(moer/moeras-deel) (Ste-Gauburge-Ste-Colombe) La Maredelle (Perriers-en-Beauficel) Fárdele (voor-deel) (Frénouville) Langa dela (lange-deel) (Banneville-la-Campagne) Lamerdale (lam/lammer-deel) (Banneville-la-Campagne)

De volgende -dal toponiemen horen hier beter thuis dan bij de -dal toponiemen (omdat er in de geografie van valleien geen sprake is):

Les Dalles (Carneville) Les Dalles (Cosqueville) Basses-Dalles (Néville) Les Grandes-Dalles (St-Pierre-en-Port) Les Grandes-Dalles (Sassetot-le-Mauconduit) La Longuedalle (Gaillefontaine) Les Longues-Dalles (La Pernelle) Les Petites-Dalles (St-Martin-aux-Buneaux) Les Petites-Dalles (Sassetot-le-Mauconduit) Les Rouges-Dalles (Crasville-la-Mallet) Les Brucdalles (broek-deel) (Osmoy-St-Valéry) La Dalle (L’Etang-Bertrand) La Dalle (St-Vigor) en Bruquedalle (broek-deel of broek-dal)

In het Parijse kunnen 205 toponiemen worden aangeduid met 'desle, dele, delle en doile' in dezelfde betekenis.

TB: Delle, De Delle, Dellenhof, Herendelle, Terjansdelle, Vlemingsdel, Mardell, Li Dele, ...

TN: Deil (dēl, Geldermalsen) Steenlanderdeel, veldnaam te Vogeldijk (Zeeuws-Vlaanderen)

 

-escalle toponiemen (-écal-)

Engels: shelter (Oud-Engels scale) en Oud-Noors skali.

Het kan ook vanuit het Nederlands vertaald worden als *skala scale schaal schelp (met betekenis van ‘bescherming’) of skūl, scul (schuilplaats). Een mooi voorbeeld is Escalles in Frans-Vlaanderen waarvan de onl naam ‘Skale’ is.

T F: Escalles, Schaelbroeck (Schalembroek, Clairmarais)

T Normandië: Écalgrain   Brecquécal   Écalles-Alix (Escales, einde 12de) Villers-Écalles (Escalis 12de) Estouteville-Écalles (Scalis einde 12de)

Schalie komt voor in de familienaam Schaliedecker. Schalie (scali) betekent hier lei.

Andere familienamen: Scaillet, Escalé, Schaalje, Scales

 

Étain- toponiemen (Étan- Étenne-)

Oud-Noors: steinn

Oud-Engels: stān

N: stēn steen stene ( estem- esten- stain- stan- stee-...)

T B: Stene Steenacker Steenbeek Steenbeke Steenberg Steenbrugge Steengat Steenkerke Estaimpuis (Steenput) Bilstain en būtanstēnā (*Buitensteen-A, onbekend stenen gebouw aan een waterloop in 'Fresia') Steenhuize

T N: Steenakkers Steenbergen Steenberge Steenenkamer Steenenkruis Steenhoven Steenovens Steenpaal

T F: Steenbeque Steene Steenvoorde Steenwerck

T Normandië: Fatouville-Grestain (Grestano 1050 Etalondes (Stanelonde 1059 Stenelunda 1119) Etainhus (Esteinhues 12de) Etaintot   Etangval Mont Etenclin (Estenclif 1262 ) la Roche Gélétan ( Jallestain 1200) Esteinvei (1320) Etennemare   Tennemare

 

-fleur toponiemen

Oudnoors:flóð (vloed) flói (stroom)

Engels: flod (> flood) of fleot (> fleet) (vloeiend water, rivier naar de zee)

Voor Barfleur vindt men volgende uitgangen:

-flueth, -floth, -flot, -fluet, -flu, -flie, -fleu, -flo, -flet, -floi, -flue, -fieu

N: vloed (getij) of vloed: flut vloet fluot fluodi fluode (stroom, watermassa, rivier) of vliet (watergang) flot

T N: Haringvliet Muelenvliet Vloedgat

T B:

-Vliet (meerdere keren) Onkenvliet Oukevliete Honkevliet Hunkavliet Hunckevliet (alles in St.-Pieters-Kapelle, Middelkerke) Eigervliet Heggervliete (Mannekensvere) Eikevliet (Hingene) Grote Overvliet (Vorst) Reigaarsvliet (Knokke) Reigersvliet (Pervijze) Zandvliet  Watervliet Wijtvliet (Antwerpen) Zorgvliet (Molenbeersel)

-Vloet: Molenvloet Molenvloed (Herselt Antwerpen) Vloet (Ronse) Vloetem Vloetenveld (Zedelgem) Bornvloed (Berlingen) Vloed Vleuten, nu Flône bij Amay (Flodena 1181 Flodne 12de) Flot (voye du Flot, Othée) Biaflot (Momalle) Chaflotte  (Flostoy) Difflot (Bévercé) Flot (4 keer) Flot Marly  (Flémalle) Flotte (Lombize) Flotz (Fauvillers) misschien ook Vloesberg (Flobecq)

T F: Ambleteuse (Amfleat 8ste eeuw, met A als waternaam) Rang-du-Fliers (Rijnvliet),  Fliers (Vliet, rivier) Groffliers (monding Authie)

Verwant met 'Flers' (bij Lille, Fles 1066, Fleis 1143, van 'fliessen', vloeien) en Flines-lez-Raches (flien, vloeien)

T Normandië: Honfleur (Hunefleth 1025, Hunefloth 1062) Barfleur (Barbeflueth, Barbeflueth 11de) Harfleur (Herolfluot 1035) Fiquefleur  Vittefleur (Witeflue 1130-64)  Crémanfleur   Vicqfleur   la Gerfleur (stroom, Jor fluotum 1027)

V: Het volgende wordt mogelijk: Hunevliet of Honingvliet, Barbevliet ('barbe' staat voor barbaar, dus waar men Germaans sprak) Heroldvliet, Visvliet, Wittevliet, Kreekmanvliet, Wijk- of Vicusvliet, Aardevliet, of dezelfde woorden met -vloed.

Familienaam: Van der Vloet

Die -fleur ontstond in de 15de eeuw door verwarring met de Normandische uitspraak voor 'fleur' (bloem) waar de 'r' niet te horen was.

 

 

schermafbeelding-2012-10-17-om-15-27-10.large.jpg

Honfleur 1841 (Morlent)

 

 

-gard toponiemen (-yard -garden)

Oud-Noors: garðr

N: -gaard is al een onl woord met vormen als 'gardo garde gart gard' en vindt men terug in toponiemen als Groot-Bijgaarden, Hoegaarden (B) en Wijtgaard (N). Oudste betekenis: familiebezit, erf, binnenplaats. Nu denkt men eerder aan een boomgaard.

T Normandië: Auppegard (Appelgart 1160, Alpegard 12de), Épégard (Alpegard 1199) Figar(d), (vis en gaard), le Boullangard ...

Waarom niet gewoon Appelgaard, Alpengaard, Visgaard en Bollangergaard.

Dit zijn moderne vertalingen die nu nog dichter bij het origineel staan dan het (Oud)noors.

Voor appel: zie Auppegard.

 

-gate toponiemen (-gathe)

Engels: gate (holle weg)

T GB: Holegate, Holgate

Bij ons betekent gat ondermeer: straat, weg, doortocht, gat, poort, uitgang, ingang, opening, toegang, monding

Als deel van een toponiem bestaan bij ons: -cat -cate -cath -chat -gad -gada -gat -gata -gatam -gate -gatha -gatis

T B/N: Hazegate Holgat Hellegate Holegat Kerkgate Steengat Vloedgat (Oostduinkerke) Kerkgate

T F: Ingwinegate, Esguinegatte, Sangatte (Santgatha 1137 Zantgate 1331)

Sandgate en Sangatte liggen tegenover elkaar aan weerszijden van Het Kanaal.

Misschien hebben de Canche (Cuantia, Cuent ) en Kent (Cantia) ook iets met elkaar te maken. Alleen Het Kanaal ligt er tussen.

T Normandie: Gatteville   Houlgate  Uggate (oude naam voor Caudebec)...

Denk ook aan de gekende familienamen: Schietgat, Tytgat

Volgens 'De Bo' betekent het naaste gat van Jabbeke naar Brugge, de kortste weg. Een gat op zee betekent voor de vissers een zeeweg tussen twee zandbanken, een vuil gat en een donker gat waren eigenlijk een vuile en donkere straat. Men sprak van 'achtergat, koutergat (weg over een bouwland), mennegat (weg om in/uit de akker te komen), zeegat (de weg / poort naar de open zee) 't gat van de timmerman (deur)...

 

-hague toponiemen

Oud-Noors of Oud-Engels: haga (omheining)

N: Haga Hegi Haghe Hage Haag...

T: Den Haag, De Haag, Haag, Hagebos, Hageburg, Hagebus, Hagedoorn, Hagedoren, Hageheide, Hageland, Hagenbroek, Haagdijk (ook Aodijk, Hadijk of Haeghdijc genoemd)

T Normandië: la Hague  le Tohague (l'Estohague 1456) Étauhague (Estohague 1262) le Hague-dike

 

-ham toponiemen

Engels: home

N: -ham, ham- (hamma, ham, hamme: landtong in een overstromingsgebied, een meander) of -hem (heim, ghem, gem, haima, em: woning, erf, heem, dorp)

Het verklein- woord van ham is hamel.

T F: Millam (Mildred Ham) Hambruok (*Hambroek, Hambreucq), Batsaham (*Batsham, Bachant) Bonneghem (Boningaham) Drincham en Hamel

T B: Ham, Oostham, Hamme, Berinkham ( *Beringham), Engilham (*Engelham), Evursham (*Eversham, Eversam) en Kraianham (*Kraaienham, Kraainem)

T N: Hemwurth (*Hamwoerd, Hemert) en *Beltweriham (*Belterham, Beltrum)

Misschien speelt hier en daar ook 'heim hem' (thuis) een rol. Een landnaam door Hlodwig aan Saint-Remi gegeven, noemt hij 'Picofesheim'. Bij de Germanen werd heel veel de eigenaar in het toponiem vermeld.

Nog een voorbeeld: ...viri his nomibus, Wisogaste, Salesgaste, Widogaste in villis que ultra Rhenum sunt in Bodochem et Salechem et Widochem. (Salische wet 343)

T Normandië: Ouistreham   Étréhamle    Ham   Huppain   Surrain Hemevez.

 

 -hoc toponiemen (voorgebergte, uitstekend stuk land, hoek)
Joret: van het Deens 'huk', maar niet geattesteerd in het Oudnoors.
Van het Angelsaksisch hôc, Oudfries. hôk, haak hoek.  Hocquet: hoekje
N: hoek, uit -hoc, -houc, -houcke, -huc, -och, -hoec
TB: Oekene, Hoeke, winkīnshuok *Winkinshoek, parochie bij Veurne,
TN: Hoek van Holland, Bertenhoek, onbekende plaats bij Cadzand, Heinshoek, polder te Cadzand
TF: Le Touquet: het Hoekje, Binkhoek bij Wormhout, Middelhoek, locatie te Esquelbecq, Oosthoek, locatie te Esquelbecq
TNormandie: La pointe du Hoc (aan de monding van de Lézarde), La pointe du Hoc (Isigny), Le cul du Hoc (St-Pierre-Eglise), Le Hocq (Jersey), Le château d’Etoc (Aurigny). 'etoc' kan ook staan voor 'oost'. Le Hoc (Beaumont-Hague), Le Hoc (Manche), Hocquet (Lessay), Le Hoquet (St-Sauveur-Lendelin), Hochet (Beaumont-Hague)

 

-holm (-houlme -houme -homme) en -hou toponiemen 

Sc: hólmr (eiland)

N: holm helm holme (eiland in een rivier, land omgeven door water) 'hou' kan ook refereren naar hoogte. In Europa maakten de 'Vikingen' vaak gebruik van riviereilanden.

De namen met '-holm' in Nederland zijn volgens Lerchner ( Studien zum nordwestgermanischen Wortschatz Halle/Saale, 1965, p116vv) niet terug te voeren op vikingrijkjes. Hij toont aan, dat 'holm' tot de oude inheemse, Noordzeegermaanse woordvoorraad behoort (het komt voor in de Heliand). Waren die -holmbewoners dus wel Vikingen zoals hieronder beschreven?

 

T Normandië: Quettehou (Chetehulmum 1066-83) Saint-Quentin-sur-le-Homme Le Houlme  Le Homle  Homme (de Hulmo 1160)  Neuvy-au-Houlme  Montreil-Au-Houlme Bellou-en-Houlme   Écréhou   Jéthou  Lihou   Brecqhou   Burhou   Robehomme (Raimberti Hulmus 1083) en nog enkele eilandjes Priestholm (Priesterholm) Torhulmus (Tors holm).

In het jaarboek van de Heemkring Ekeren (2007) lezen we: Omspoeld door Schelde en Schijn vinden we sporen van een langdurig verblijf van de Noormannen: de Holme. De Holme, een watergang nu gekend als Laarsebeek en Vosseschijn was afkomstig van 'Holme' wat ‘eiland in de rivier’ of ‘land omgeven door water’ betekent. Het vormde een veilige aanlegplaats voor schepen. In Ekeren (rijn-toponiem)  bestond ook de 'Holmebrug'. We vinden het toponiem ook weer op het Vikingeiland Wieringen (Noord-Holland) en in 'De Holm' (Leek). In Mechelen (B) is er ook sprake van een Holm.

Familienamen bij ons: Holm Van Holm Van Holme

De 'Hou', in Chetellehou 1050-1060, laat Guinet teruggaan tot een stichting van voor de 7de eeuw. (Guinet Louis, Contribution à l'étude des établissements saxons en Normandie, La topographie, les iles anglo-normandes p. 60-106) Het element komt volgens hem voor in de Saksische' streken van Normandië. Dan kan het volgens hem niet met 'holm' te maken hebben, maar wel met het Engels 'ho, hoo' en het Angelsaksisch 'hôh', dat in het Oudnoors niet bestond. De betekenis was hiel scheenbeen, landtong, rots, klip of afgrond. In het Nederlands luidt het 'ho', zoals in folonho (*Veulenho, Vollenhove Nederland)

 

Hougue- toponiemen (-hogue -hou)

Oud-Noors: haugr (heuvel)

Het West-Normandisch dialect kent ook 'houguet' (hoogje, kleine heuvel)

N: hoge ( hoghe hohe hoi hoe)

Er bestaan veel toponiemen met 'Hoge'.

Oudfrans: Le sommet de une hoge (liv. des rois) un châtel ahoge (Benois)

T B: Hogeweg, Hoogeheide

T N: Hoogland, Hogebeintum, Hogebieren, Hogebroek, Hogebrug, Hogedijk, Hogendijk, Hogenweg

T Normandië: Les Hogues  La Hougue (St-Vaast) Hougue-bie (eiland) Houguemare   Orglande (vroeger Oglande) château d'Olonde

 

Houl- toponiemen

Veel plaatsnamen in Vlaanderen en Nederland dragen het toponiem Hol Hole.

T B: Holeinde, Hollaken, Holland, Holand, Holborn, Hollebeek, Hollebeke, Holleke, Hollemeers, Hollevoorde...

T N: De Hole, Holeind, Holendrecht, Holevoet, Holhuizen, ‘t Holland, Den Holland, Hollander, Hollanderbroek, Hollandscheveld, Hollandsdiep, De Hollebald, Hollebalg, Hollebergen, Hollenberg, Hollestelle, Hollevoeterbrug, De Holleward

T F: Merlimont (ten zuiden van Le Touquet) heeft een 'Holland' toponiem.

T Normandië: Houlbec  Houlgate   'rue Catteholle' (Caen) en misschien ook: château d'Olonde.

President 'Hollande', afkomstig van Rouen, hoeft dus niet uit 'Holland' (Nederland) afkomstig te zijn. Zijn naam laat een Nederlandstalig toponiem in Normandië vermoeden. 

Merlimont in Frans-Vlaanderen heeft ook een 'Holland' toponiem.

 


-hus toponiemen (-hurs -hou -hous)

Oud-Noors: hus
Oud-Engels: hūs
N: hūs huis hus huus...
T B: Steenhuize, Westhuizen, Wijnhuize, Huize, Wichus, Blochuus (Een hofstede te Sint-Kruis (Brugge,1550)
T F: Wolfhus, Winthus,Welhus, Collehus, Brouchus (Sint-Omaars)
Lihus (Oise, Marseille-en-Beauvaisis)
T Normandië: Etainhus (V: steenhuis) Sahurs (Salhus 1024, zaalhuis) Cropus (V: crop-hus/huis) (Bellencombre) Gavrus (gavra-hus, moeras/huis) (Evrecy) Lihus (V: licht-hus/huis, wegens de vuurtoren) (Bellencombre) Boullouse (Avranches, bolle-hus. Er bestond een hof te Sint-Kruis: de bolle, 1530) 
De volgende namen kunnen misschien ook staan voor een holm-toponiem. Nehou (Niel-hus) Quettehou (Kette-hus) Tripehou (Tripe/tribe-hus) Quihou (Quibe-hus) Pirou (Pere-hus) Brehou (Bree-hus) Boulouze (Bolle-hus) Le Mesnil-Hou (mesnil-hus) Le Héricher Édouard (p 330) duidt ze aan als van het Saksische 'huis'.

 

39-oud-normandisch-huis-kopie.large.jpg

 

  Normandisch huis, uit 'www.bmlisieux.com/normandie'

 

 

Land-toponiemen (-land -lan)

Noors of Engels: land

N: Land, Lond, Lande, Londe (onbebouwde grond) Zie ook bij -londe.

T: Veel toponiemen met -land: Landen, Te lande, Beukeland, Eikeland, Steenland, Schakerland, Zeeland, Landegem...

T Normandië: Les Landes   Les landelles   La Londe   Estelan   Orglandes   Céland (Séland, aan de boorden van de Sée) Estelan   Orglandes  Friland (vrij-land of Frido-land of vers-land of varen-land) (Géfosse-Fontenay) Le Mesnil-Sterlin (wester-land, Maisnillus Oister-landi 1059, Etalondes)

Familienamen: Baeckeland

 

-londe toponiemen (-lon -ron)

Oud-Noors: lundr (woud)

N: Lond Londe (onbebouwde grond)

Lond en land worden soms door elkaar gebruikt (ook in betekenis).

La Londe als gemeentenaam komt meer dan 45 keer voor in Normandië.

T B: Londerzeel (Lundersella 1139) Londer zou dan niet van Lundher maar van hetzelfde 'lond' komen. De lond/lund varianten zijn ook in Normandië te zien.

TN: Leende (Lint), in Heeze-Leende, Noord-Brabant werd ook als 'Lunde' geschreven.

T Normandië: La Londe   Petites Londes   Grandes Londes   Etoublon (Stobelont Stublond) Faguillonde   Bouquelon   Écaquelon (Esquaquelont 1236) Catelon (Catelunti 1096) YquelonIclon (Ichelunt 1088) Yébleron (Eblelont 1210) Crollon   Etalonde   Étalondes   La Londe-les-Maures      La Grande-Londe   La Grosse-Londe   Château de la Londe

De familienamen 'Londès Londe Londers' bij ons verwijzen misschien naar een 'Londe' toponiem als in Normandië.

'Londais' komt als Franse naam voor.

Wat met Londen?

 

-mare toponiemen

Sc: marr

N: *maru mare mar maeere maer maren: natuurlijke waterloop in een zeekleigebied,

N: ook mogelijk, mare maer mar mere (beroemd)

T Normandië: Boquemare   Collemareles   Mares   Londemare   Oudemare  Vaumare   Roumare   Bimar   Inglemare   Flamare   Prétot-Vicquemare Alvimare   Commare   Sausseuzemare   Mélamare   Gattemare   Flicmare  Etennemare

V: Beukmare, Kolli's mare, De Maren, Landmare, Londemare, Oudemare, Valmare, Ingelmare, Steenmare...

Het Amare (Almere) past hier als toponiem bij.

 

-nez toponiemen (nès ness)

Betekenis: voorgebergte, kaap (Gysseling en Boerman e.a.p 40 e.v.)

N: nes nesse nessi (landtong, soms als nes nis of neus geschreven. Secundair kreeg het later ook de betekenis van laag drassig land)

'Neus' duidt op meer een Frankische oorsprong, 'nes' op een Ingveoonse oorsprong.

Guinet↓: Bien qu’aucun critère phonétique ne permette de dater l’emprunt de nez, son aire de répartition : le Cotentin et les îles anglo-normandes nous permet de le considérer comme introduit par les Saxones Bajocassini du Ve ou les Saxo-Frisons du VIe siècles. Vertaald: Hoewel er tot op heden geen fonetisch criterium bestaat om 'nez' te dateren, is het toponiem vooral aanwezig in de Cotentin en de Kanaaleilanden en stelt het ons in staat om het te beschouwen als ingevoerd door de Saksische Bajocassini in de vijfde of de Friezen in de zesde eeuw.

TB: De Nesse (Deurne-Borgerhout) Caternesse (Brugge) Hernesse: West-Vlaams voor beemd (soms kudde) Nesschenbroek (Rumbeke) Den Nest (Lichtervelde) Nestvaart (Oudekapelle) Hossenesse, Wargenesse en Vornesse (bij Antwerpen) Scerpenisse (Ramscapelle) Lampernisse De Flou heeft niet minder dan 23 kolommen genoteerd met West-Vlaamse varianten op 'He(e)rnessen'.

TN: Terneuzen (Ter Nose 1325 Ter Nessen 1350) Nesse (polder) Nes, De Nes, Eemnes, Pernis' (twijfel), Hildernisse, Gaternesse, Ossenisse, Hontenisse, Matenesse, Stavenisse, Frankenisse (voor 1200 vermeld bij Kloosterzande(zie studiekring↓) Nesserdwarstocht (Vinkeveen) Neskade (Weesperkarspel) Neselanden (polder te Woerden) Nesserburg (Oud-Alblas) Oosternes (Schagen) Wilnis (Utrecht) Kempennesse (bij Stavoren) Marcnesse (verdronken dorp van Urk) Wijdenes (bij Hoorn) Grimmense (Amsterdam) Bekenes (Woerden) Wendelnesse (Kapelle) Opten Nesse (aan de Ijssel) Roxenisse (Overflakkee) Scarpenesse (Tolen) Selnisse (Zeeland)

TF: In het Frans kan een woord ook afkomen van -nez, dat de betekenis van kaap niet hoeft te hebben. We hebben geprobeerd om die vb. er uit te laten. Cap Blanc-nez (Blankenesse) Cap Gris-nez (Craig-Ness, Swarteness, Oldernesse) Selnesse (Ardres) Escarpenesse (Wimille) La Nesse (Saint-Omer) Markenes (bij Guines) Longuenesse en Ordrenesse (bij Saint-Omer) Witternesse (Norrent-Fontes)

TBretagne: Les Cheminées voor de kust van Bretagne werd door Nederlandstalige schippers vervormd tot Kemenesse(n). In de 16de eeuw was aan de kust van Bretagne ook een Vlamincxnesse.

TNormandie: Le Gros-Nès (Le Gros Nez, Flamanville) Le Nès (Nez) (Jobourg, Querqueville, Voidries, le Carteret en Tancarville) le Nès-Roc (l'anse de Plainvic, Hague) le Nès Kilachi (Auderville) Pointe du Rozel, vroeger Cor-Nez (Les Pieux) La pointe du Nez (Danneville-Hague) Le Gros Nez (Jersey) Le Bec du Nez (Serk) Le Haut Nez (Guernesey) Le Ronez (Jersey)

Familienamen: Van Nes, Van Nesse, Van den Nesse, Van Esse, Van Es

 

 

Thuit- toponiemen (-thuit- -thuit -tuit)

Oud-Noors: thveit

Oud-Engels: thwaite (gerooide grond, ons 'rode')

N: -tuit -tuite tut tuyte tute tuut, als uiteinde, laatste of verste deel van iets? Een teut is een spits toelopend stuk land.

Of de plaatsbepaling tot? (tote tôte toti tōte)

ontwouden?  widu -vuid wid-... van '*ontwidu, *vntwidu' naar *twidu?
woud (777)
T B: Flostoy (Flostuit 1064)

T N: Tutinghehorn (Tuitjenhorn bij Warmenhuizen Noord-Holland)

T Normandië: Le Thuit   Bracquetuit   Vautuit   Le Thuit-Simer...

 

 

-torp toponiemen (Torps Tourp Tourps -tour)

Oud-Noors: torp

Oud-Engels: thorp

N: dorp thorp thorpa thorf torp torpe...

T: Heel veel namen. Enkele voorbeelden: Dorp, Ouddorp, Westdorp, Opdorp, Steendorp, Langdorp...

T Normandië: Clitourps   Saussetour   Sauxtour   Guénétours   Le Torp-Mesnille   Torple   Torpt   Torps...

 

-tot toponiemen

Conventionele uitleg: Afgeleid van het oude Scandinavische 'topt, toft', een stuk grond met woningen of een landelijk gebied, op basis van een gemeenschappelijk (proto)Germaans *tumftō, een stuk grond met woningen, een boerderij. Van het Indo-Europees *dm̥ptā-, met als wortels *dm̥-, basis *dem(ǝ)- , huis + *pt- < *pd- van *ped-, voet. Verwant aan het Latijnse dominium (domein) dominus (meester van het huis), zelf afgeleid van domus (huis).
Uit wortel *dem(ə2)-: timber  en timmer (gebouw, bouwwerken, vooral van hout) van het Germaans *timram.
Er zijn meer dan 300 plaatsen eindigend op -tot  (niet toft/topt) in Normandië. Dit toponiem lijkt Scandinavisch. Maar is het dat wel? 
In Engeland zijn toft-toponiemen in hun oudste vormen te vinden als 'tofth toftes cote tot tou tof tofte'
 -In samengestelde namen met toft is toch meestal een Germaans (Frankisch, Saksisch...) element te vinden. Met de geschiedenis van Normandië in ons achterhoofd lijkt het me logischer dat de naam verwant is met namen in Engeland en bij ons, en dat de naam is meegegaan naar Scandinavië om daar uiteindelijk meer voor te komen dan in het oorspronkelijk gebied.
-'Wikimanche' schrijft over 'Normandische toponiemen' en legt uit:
 ...tot évoque une habitation, le lieu où habite quelqu'un: une masure, une ferme, et plus généralement a le sens de 'chez'... 
Vertaling: 
...'tot' roept een vorm van bewoning op, het gebied waar iemand woont: een hut, een boerderij, en heeft in het algemeen de betekenis van 'bij'.
Veel plaatsnamen in Normandië hebben 'villa mesnil court...' in hun naam, wat ook verwijst naar een boerderijcomplex.
De toponiemen worden gevonden in (vroegere) Germaanse gebieden en worden erkend als (deels) Germaans.

Op de Engelse Wikipedia vindt men het volgende: (http://en.wikipedia.org/wiki/Toft_village)
Citaat:
In England and Scotland, a toft village is a settlement comprising small and relatively closely packed farms (tofts) with the surrounding land owned and farmed by those who live in the village's buildings. Late Old English toft, with Old English declension (plural) toftas > tofts. Toft as a placename element is usually dated to the Viking Age by place-name historians.
 
Nederlands heeft het woordje 'toft tuft', Saksisch volgens Mannier↓die 'Skinner' vermeldt met zijn uitleg voor het dorp 'Toufflers' bij Rijsel : locus arboribus minusculis consitus: Toflers (1164) Tofflers (1226) Toufflers, Toufleers, Toufle (1247) Toftrlaere, een open plaats in het woud, begroeid met struikgewas. Hieronder schrijf ik waarom dit voor mij misschien kan worden gereconstrueerd naar 't Hof ter Laere!     Toponiemen met 'hoeve-hof': Etikhove (1116 kop. midden 13e Atingohova) ‘hof van de lieden van Ato’. Herlinkhove onder Outer (1105 kop. ± 1300 Herlengova) uit Harilinga hofa ‘hof van de lieden van Harilo’. Ruddershove (1166 Rodgershoven) uit Hrōthigairas hofum ‘hof van Hrōthigair’. Sint-Goriks-Oudenhove (1172 kop. ± 1225 Oudenhova sancti Gaugerici).
In Frankrijk is er 'Fournehault', dat komt van 'fornohoua', vroonhof. Verder in Frans-Vlaanderen, de toponiemen Meelhof, Crayhof en Vinehof.
'toft' kan voor mij betekenen 'te hof-t': te (te: bij, of 't: het) hof (hoeve) en -t -te (verzamelsuffix: groep),  maar ook 't gehofte (zie verder). De 'h' is niet altijd te horen en in het West-Vlaams al helemaal niet, 'thoft' klinkt er als 'toft'. Misschien is er verwantschap met het verzamelsuffix of plaatsbepalend suffix -t, dat te vinden is in Hasselt, Beverst, Bost, Roborst... 
Die verzamelsuffix 'te' vinden we ook in het West-Vlaamse woord 'gedoefte/gedoente' (groep gebouwen, een exploitatie). Kan in het Normandische 'Torpt' (dorp) die laatste -t daar ook voor staan? Een dorp is trouwens een groep huizen.
Het kan ook slaan op de werkzaamheden zelf: 'De waste' betekent in het West-Vlaams 'het wassen', zodat 'hofte' hier 'het hoven' kan betekenen, 'thooft' de plaats waar men hooft, de oogst binnenhaalt (hoven: de oogst van de akker naar het hof brengen). 'Het hof' op zich was al een verzamelnaam voor de woning van landbouwer met de stallen, de schuur en een plein.
Uiteindelijk betekent 'toft' dan de plaats waar een hoeve met zijn aanhankelijkheden of een paar hoeven samen staan, wat volledig overeenstemt met het Engelse 'toft'. 
 
Hofte wordt soms vertaald als 'hoogte', wat gezien de gevonden informatie volgens mij alleen in bepaalde gevallen klopt: van der Hoeft,van der Hoeght (Middelnederlands hogede, hoochte, hocht, hucht: hoogte) Hoften (van der Hoegh)
 
Hoeft staat soms voor 'hoofd': Hoef(s) Hoes, van Hooft (1398 Mayc Hoefts, Hanekin Hoeft) Hooft, hoofd (baas) Ooft, Thoof(d)t, T'Hooft, Hoof(s), Hoft, Heuft, Hôfte... Er is de mogelijkheid dat een aantal toponiemen afkomstig zijn van hovet, hōvit (hoofd) (vooruitstekend stuk land) zoals in santshōvit *Zandshoofd, oude naam van Nieuwpoort in West-Vlaanderen (België).
 
Onderstaande gegevens kunnen mijn aanname 'toft=thoft' versterken.
-Onstwedde (Groningen) (op http://onstwedde.info/bottommenu/buurtschappen/hoefte.html augustus 2014)
Citaat: 
Höfte is een buurtschap ten noordoosten van Onstwedde rond de T-splitsing Wessinghuizerweg/Streekweg. In 1840 had Höfte 5 huizen met in totaal 20 inwoners. De naam Höfte betekent waarschijnlijk een paar boerderijen. Eén van de boerderijen in Höfte is een rijksmonument.
-Toponiemen met namen van hoeven (uit: Van Caukercken Cornelis, Vlaemsch recht dat is costumen ende wetten ghedecreteert by de graven ende gravinnen van Vlaenderen, Volume 2 Michiel Knobbaert, 1674: COSTUMEN VAN DEN PRINCELYCKEN LEENHOVE VAN DÈN BVRGH VAN BRVGGHE,  T'ANTWERPEN BY MICHIEL KNOBBAERT ENDE TOT GHЕNDT BY MAXEMILIAEN GRAET 1674 p13 -15 Google eBoek)
't hofte Calver-keet, 't hofte Heyst, 't Hofte Cleyhem, 't hofte Vladsloo, 't hofte Vassenare, 't hof't Haelyncx
Tientallen namen met 't hooft-leen
Het -te suffix sluit hier aan met de Normandische uitleg ('te' betekent 'bij')
-De vorm guchte is een verkorte vorm van gehuchte (gehochte) een collectief van bij elkaar horende gebouwen. Het woord is afgeleid van gehofte, een collectief bij hof. (Van Durme in Plaatsnamen te Zottegem 1999)
-Toponiem: 'T HOF TE ST.JANSKERKE (Uit: Stuart Martinus, Jaarboeken van het koningrijk der Nederlanden, Deel 2  E. Maaskamp, 1759 p 1186  Google eBoek)
-Toponiem: Namen van 2 erven te Rijssen (Overijssel): De Höfte en Hofstede
-Toponiemen met 'te' en/of 'hof' in België: Ter Hoffstadt (Mélin, België) Terbeeck, Terbosch, Terhille, Thof-ter-Brugge, Thof-ter-Wynegem, T'Hoff van Dolhain, T'Hoff te Wilre, Hofstad, Hofstade, Hofstaden, Ter Hoffstadt, Hofstat, Hofstede, Hofstein, Hofte-voorde, Hoften Bossche, Hoftenberg, Hoftenhembroek, Hoftewolfkerke
(De 'stede' in 'hofstede' is waarschijnlijk verantwoordelijk voor het ontstaan van de naam 'stad', naast ' stade', aanlegsteiger.)
-Gerrit Jan Hofte: Mijn naam is Gerrit Jan Hofte en ik ben de sitebeheerder van deze website http://www.myheritage.nl/FP/genealogy-welcome.php?s=52189111    (augustus 2014)
Citaat:
Wat betekent de naam "de Höfte"? Ne 'Höfte' is ne verzameling boerderiejen, eigenlijks 'n klean gehucht. Der zit dudelijk 't woard hof (stee), hoeve in. Dat achtervoogsel -te gef de verzameling an. In Soasel -ne bekeande plaats in het hert van Twente - ken wie zoa: de Loa-Höfte. de Hearms-Höfte, Oalbrink-Höfte. Höfte is dus um 'n laank verhaal kot te hoalden: ne verzameling boerderiejen, of huze, op 'n dröpke biej mekoar.In het Duits is er een uidrukking Gehöfte voor een verzameling gebouwen. Het kan dus zijn dat de naam ter Höfte hiervan is afgeleid.
-Wat te denken van: dat (grote/clene) hovet  en clene pieters hovet.  Bij INL houdt men het op Hoofd, locaties te Wenduine (West-Vlaanderen België) en Hulsterambacht bij het land van Saaftinge (Zeeuws-Vlaanderen Nederland).  Hovet: hoeve en zijn gebouwen?
-Familienamen: van het hof, van 't hooft, te hoft, thoft, Hof, Hoff, Höfte, Hôfte, Ter Hofte, Ten Hoften, te Hofte, Hofte, Van Hoften, Hoefkens, Hoefmans, van der Hoeve,Hoef(f), van der Hoeven, van Hovee, van den Hove(n), van der hoofden, van der hoven, hovetman (hoofdman of hoeveman?), van der Hoofd, van der Hooft, van der hoven..
 
T Normandië: Franquetot (en Franquerue).
Het wordt hier gecombineerd met de naam van een man:
Yvetot (Yvo) Routot (Rollo Rou) Martintot (Martin) of Létantot (Leofstan).
Hier zijn de mogelijke onl naamelementen: Ivo - Heerolf - Maarten - Lieden
Soms komt het voor met een boom-naam:
Bouquetot (Bochetot 1179) Boki
N: beuk (beuke)
Ectot, Ecquetot (Eschetoth 1055, Esketoth 1074) Eski ( Eschetoft 12de, Esketoft 13de )
N: es (eska eski esk eske ask esche...)
Ook een andere soortnaam of adjectief zijn mogelijk:
Seltot (Selja)
N: 'sel' (selsāti Zelzate)
Martot
N: meer (mar / mere): zie mere-toponiem.
Életot (Esletetot 1025)
N: slette slet: lapje grond, of slee, doornenstruik, of slete: versleten, gebroken land, of slede: houten bouwsel waarop de landbouwer de ploeg of eg kon leggen om ze te vervoeren
TB: Sleyhage Slehaege (sleedoornhaag te Hooglede)
Hautot Hottot of Hotot
N: hoog helling
Brestot (Breitot 1080)
N: brede
Lanquetot (Languetot 12de)
N: lange
Le Vretot (Ovretoth 1062)
N: over
T B: overokkarseli *Overokkerzaal (Steenokkerzeel) Overijse, Overpelt, Overheembeek
T N: Buurmalsen (Overmalsna *Overmalsen) Overmeer (Overmeri) Urmond (Overmont *Overmont) Overthorp (*Overdorp bij Valkenburg) Overwinkel (bij Schagen)
 

-val toponiemen ( Val- )

 

Latijn: vallis
N: falla val vallei (diepte, verwant met vallen)
T F: Assonval Valtencheux
T Normandië:Val-de-Reuil   Val-ès-Dunes   Avesnes-en-Val  Le Val-David...
 

Veules- toponiemen (El- -el)

 

Oud-Noors: vella
Oud-Engels: wella (bron, stroom)
N: Welle (bron)
T: Kalkwelle (F) Welle, Wellen, Well
T Normandië: Elbeuf (Welleboth) Rouelles (Rodewella 1035) Veules-les-Roses (Wellas 1025)
 

-vic toponiemen (-vy)

 

Uitgelegd als baai of strand
N: wijk wik wic vic
T: Craywick (*Kraaienwijk of Kraagwik volgens Fermaut) Zandwijk (santwīk) Wijk (Wik) Oosterwijk, Noorderwijk, Molenwijk, Wervik (Wervy 1090) scelwiic (Schelwijc, Z-Holland)
T F: Quentovic (Artezië) Salperwick (Sint-Omaars) Audruicq (Ouderwich, Alderwic 12de) Austruy (Marquise) Baduy (Saint-Martin-Boulogne)
T Normandië: Sanvic (identiek aan Zandwijk) Plainvic  Pulvic   Solvic (la Hague) Survic (Gréville) Cap-Levi (Kapel-vic 13de) Vi
Komt wic/vic van het Latijnse 'vicus'?
Mijn hypothese is dat de twee woorden cognaten zijn, elkaar na een tijd overlapten maar in het begin een lichtelijk andere betekenis hadden. Het Frankische 'wic' van rond 800 zal in betekenis al samenvallen met het Romeinse 'vicus', maar dat was volgens mij niet het geval in pakweg de vierde eeuw. In de Keltisch sprekende gebieden en in de Romaans sprekende gebieden (buiten het Latijn) komt het woord niet voor. Er is alleen het Oudgrieks οἶκος (oîkos, huis).
Cognaten in andere talen: Oudnederlands wīk wic, Nederlands wijk, Oudfries wīk,  Oudsaksisch wic (dorp) Oudengels wīc (verblijfplaats woonplaats) Middelengels wik, wich (dorp gehucht stad) Oudhoogduits wîch, wih (dorp), Duits Weich (gemeentelijk gebied), Gotisch weihs.
Het Gotische 'weihs' vind ik interessant omdat het ook verscholen zit in het Duitse 'Weihnachten' (Kerstmis). Ulfila legde in zijn bijbel uit voor 'weihs': een niet ommuurd dorp, en als adjectief: 'heilig' en 'afgezonderd'.
Bij de Romeinen had een vicus nooit iets te maken met een burgerlijke nederzetting buiten een fort. Wics waren redelijk zelfstandig opererende plaatsen binnen het Romeinse rijk, ermee samenwerkend en daardoor ook vlug geromaniseerd. Misschien kwamen zij wel in de plaats van oude Romeinse legerplaatsen, op strategisch gelegen plaatsen. Buiten enkele uitzonderingen (London Dorestad) werden 'vici' nooit grote steden, het waren vooral handelsnederzettingen en/of distributienederzettingen.
Zulke 'wics' zijn volgens mij dus vooral te situeren op transportroutes, vooral de snelle waterroutes. In het graafschap Kent lijken 'wics' soms per twee samen te werken, één in het binnenland aan de rivier, en één aan de monding van de rivier, wat weer wijst op handel en transport.
(Zie voor meer info bij:  Durham Anthony and Goormachtigh Michael, Greenwich and the early emporia of Kent! Archaeologia Cantiana 2014)
Die 'afgezonderde woonplaats' kan ook een andere betekenis herbergen: Als ik het woord 'wijken' bestudeer op INL, kan ik de Vikingen of Wikingen aanduiden als 'mensen die wijken/wiken': naar een ander land uitwijken, vluchten of weggaan. Zij zochten een veilige plaats om hun leven her in te richten.  Vandaar dat, als ze later o.a. ook naar het zuiden terugkeren, ze als uitgewekenen, wikingen, kunnen worden benoemd.
 
 
 
14-roskilde-deense-vikingen-kopie.large.jpg

 

Roskilde: Deense 'vikingen' bouwen een replica van een snek. (eigen foto)

 

 

-ville toponiemen

 


In Normandië komen de elementen met -ville: boerderij later dorp (en met -court: boerderij met een binnenplaats, en -mesnil: eigendom) overeen met Frankische en andere Germaanse nederzettingen. Dat is waarschijnlijk de reden waarom de woordvolgorde Germaans is: bijvoeglijk naamwoord, soortnaam of naam van de eigenaar en een Romaans element, bij voorbeeld: nieuw dorp: Neuville Bourville (zie daar) Boscherville (Balcher villa 1050) Cuverville (Culvert villa 1066) Varreville (Wereth villa 1035 Warechivilla 1035 Watredivilla 1040 ) Vauville (Walvilla 1063) Vaudreville (Wadrevilla) enz...
T B: Villers-La-Ville, Arville, Assonville, Tenneville, Alleville, Arnoville, Soleville
T F: Abbeville
In de Normandische toponymie zijn dit soort namen het meest voorkomend: Tot twintig procent van de Normandische gemeenten eindigen met -ville!
Opmerking: Komt -ville altijd van het Latijnse villa? Johan Winkler↓ beweert dat het afkomstig kan zijn van het Germaans 'wiler' waar het op sommige plaatsen ook tot -villiers is ontwikkeld. In Duitsland werd dat -weiler.
T B: Wilderen Wijer (villare, Vileir)
T N: Wylre
T F: Rappoltsweiler (Ribeauvillé), Guebwiller
Verder uitgewerkt en te vinden op:  Gevarieerde verhalen: -ville toponiemen Germaans?

 

 

Tancarville 1841 (Morlent)

 


 

-wast toponiemen (-vast -ga(s)t(te)

 


Vast, van het Latijne 'Vastus' (onvruchtbaar),  verwant met het Engelse: waste
Geëvolueerd in het Frans naar: va(s)tine gâtine
N: wasto wastine woest woestijn wastijn (slecht land, woeste of onvruchtbare gronden)
T: Woesten Woestenhof, Woestijn, Woestijne
TB Waasten
TF: Le Waast (Wasto)
Familienamen: Wostijn, Ostyn, Van de Wostijne, Van de Woestijne
T Normandië: Beroldwast (1000) Sottevast (Sotewast 1060) Tollevast  (Toler wast 1000) Brillevast (Bresillewast 1100-1150) Le Vast, Hardinvast, Le Gast, Saint-Denis-le-Gast, Saint-Aubin-de-Terregatte, Saint-Laurent-de-Terregatte.
Zie ook bij Normandië: Germanen.