Welkom op

 

Van equites over kolvekerels tot ridders

Inleiding

De ridder bestaat vandaag de dag alleen nog als titel en heeft weinig uitstaans met de vroegere ridderstand en wat er bij hoorde.

Een ridder, zijn wapen en zijn paard waren onlosmakelijk met elkaar verbonden gedurende de middeleeuwen en daarna. In dit artikel poog ik een aantal verwante geschiedenissen te verbinden die ons inlichten over de oorsprong van de ridderstand. Er wordt besproken welke bevolkingsgroepen aan de basis lagen van die ridderstand. Het hele artikel kan hoogstens als een inleiding worden beschouwd.

 

Rome

Een eques – meervoud equites – was in de Latijnse wereld een woord voor ruiter. De naam stond voor een burger die rijk genoeg was om met een uitgerust paard en personeel zijn dienstplicht te vervullen. Met de tijd verminderde hun militaire karakter en duidde de naam meer op dat deel van de burgerij dat zich bezighield met commerciële en financiële zaken. De equites werkten zich op tot een belangrijke groep van ondernemers en financiers. Uiteindelijk bekleedden de leden van die ridder- of ruiterstand heel belangrijke bestuursposten.1 Met de middeleeuwse ridder had dat niet veel te maken.

 

eques.jpg

Romeinse eques

 

Ridder

De riddere of rudder kwam van het werkwoord riden, te paard rijden.2 In de Karolingische tijd bouwde de landelijke elite aan haar macht met militaire overheersingen. Vanop een paard hadden de ruiters meestal een duidelijk voordeel op het voetvolk. Met een ridderslag – accolade – bracht men via een ritueel een persoon binnen bij een mannengroep van een heer. Historici vermoeden dat dit al gebeurde in de vroege middeleeuwen. De eerste rijders of ridders kwamen eerder uit de lagere adel die buiten de erfdelen viel. Ze hoopten zo op een verhoging van hun status door mee te vechten met rijkere heren die hun land verdedigden of hun macht wilden uitbreiden. Voor hun diensten kregen ze land in leen – met erven en bewoners – dat zo zorgde voor hun onderhoud. Het militair vertoon sprak geleidelijk ook de hogere adel aan, die zich vanaf de tiende eeuw graag tot ridder liet slaan. Zo werd het ridder-zijn geleidelijk een nieuwe stand. Ridder zijn stond ook niet in de weg om geestelijke te worden. Onder andere de tempeliers behoorden tot een geestelijke ridderorde die ook in Vlaanderen heel belangrijk is geweest. Het verschil tussen rijk en arm zorgde wel duidelijk voor twee groepen binnen die wereld. De tornooien met uitgesponnen gevechten in dure harnassen waren duidelijk iets voor de rijksten onder de ridders. Hun armere collega's konden zich dat niet veroorloven. Ze konden – als eeuwige schildknaap – dikwijls alleen maar dromen over een mogelijke ridderslag.3

Maar dan zitten we nog met het Engelse woord knight en het Nederlandse woord knecht dat een verband moet hebben met de hierboven besproken ridder.

 

 

CodexManesseWalthervonKlingen.jpg

Riddertornooi (Uit: Codex Manesse-Walther von Klingen)

 

 

Knecht en knaap

Tot op het einde van de twintigste eeuw kon ik nog op de zijgevel van mijn Izegemse lagere school een aantal oude teksten boven de buitendeuren lezen. Naast opvoedkundige spreuken stond ook in art-deco letters het woord knechtenschool, een woord van voor de tijd dat de lagere school gemengd werd. Het woord knechten ging hier duidelijk over jongens tussen zes en twaalf jaar oud. In West-Vlaanderen spreekt men (soms) nog van knehtjongs4 en meisjongs – jongens en meisjes – waarbij men waarschijnlijk niet vermoedt dat de woorden een deftige ouderdom hebben. In het Oudnederlands zei men kneht tegen een jonge man, een gezel, een ondergeschikte of een schildknaap. Meerdere geleerden zijn – volgens van Wijk – voor het woord knecht van een grondbetekenis stuk hout of stok uitgegaan, waarbij de verwantschap met knok is aangenomen. Knaap, uit het Proto-Germaans *knabil-, betekende een beetje hetzelfde: dwarshout, korte dikke stok.5 Kan de betekenis oorspronkelijk hebben betekend dat men een jongen opleidde om zich te verweren, o.a. met een knots of kolf, allebei stevige stokken? Dat was geen minderwaardig wapen, want Herakles – Hercules – stond al afgebeeld met een knots.

Een schildknaap paste in die optiek. Die was een schilddrager van een ridder, zijn persoonlijke dienaar die zorg droeg voor wapenuitrusting en paard en ondertussen bijleerde. Ook schildknapen reden te paard: Elc sciltcnape thors (elke schildknaap te paard).6 Niet te verwonderen dat de betekenis evolueerde naar soldaat en krijgsknecht. Zelfs een getrouwde jonge man werd nog aangesproken met cnape.

De betekenissen bleven ook later te maken hebben met dienstbaar zijn aan iets of iemand.7 In West-Vlaanderen spreekt men knecht uit als 'neht – beginnend met een lichte glottisslag – waarbij we in dezelfde buurt zitten als het Engelse woordje knight.

 

Knight

Een tyn wintra cniht8 was een tien jaar oude jongen, wat gelijk staat met de (moderne) Vlaamse betekenis. Het Angelsaksische cniht evolueerde in betekenis naar een weerbaar man, waar we aardig wat verwante woorden aan kunnen vastknopen. Het is niet geforceerd als we het stuk hout van hierboven in gedachten houden als een hulpmiddel om zich te verweren. De oorspronkelijke betekenis zal te maken hebben gehad met dienstbaar zijn en buigen voor iemand van hogere rang. Rond 1100 veranderde ook hier de betekenis naar een militair in dienst van een vorst. Zo evolueerden knight en ridder uiteindelijk naar eenzelfde soort adellijke personen.

 

riddertornooi-1.jpg

Riddertornooi

(Uit Ludenbach, Geschichte der Deutschen Kunst, Munchen 1926)

Knuppels

Knots en kolf kunnen over eenzelfde voorwerp gaan, zodat knotskerels en kolfkerels over dezelfde soort mensen kan gaan. De kolf was een knots of een knuppel die vaak was voorzien van een metalen uiteinde. Een Latijnse kroniek geschreven rond 1200 door Lambertus van Aarde (Ardres), meldde dat er in het graafschap Giezene (Guînes, Frans-Vlaanderen) lieden woonden die zich wapenden met kolven, Colvekerls. Colve evolueerde in het Middelnederlands naar de hele groep mensen die samen het colvespel speelden of die de kolf als wapen hanteerden. Een colve werd zo de naam voor een besloten gezelschap. Het Engelse club heeft een verwante geschiedenis. Het woord betekende ook een dikke wapenstok – om te kloppen! – voor het evolueerde naar een vereniging. Rond 1400 was een colvedrager één met een kolf gewapende dienaar of gerechtsdienaar.

 

kolfslof.jpg

Kolfslof van tin met daarin resten van kolfstok (museum Rotterdam 17de eeuw, publiek domein)

 

Die colf was de voorloper van de latere golf en hockey stok. Zo'n oude colfstok is te vinden in het historisch museum te Raversijde-Oostende. Hockey startte als een verwant balspel met een hoekige stok, een stok met een knik in.

In Gent waren in 1212 de Colvinghe leden van de familie Colve, een naam die ook voorkwam in Brugge, Aardenburg en Middelburg-Zeeland. Een colvenare – coluenere – was in 1299 in Brabant een colvespeler, waarschijnlijk in betekenis al geëvolueerd tot een ruw persoon. Andere namen in de dertiende eeuw: (van der) colven en dappers lant van der colve in West- en Oost-Vlaanderen.

De Zeelandse Melis Stoke werd geboren in 1235. In zijn rijmkroniek schreef hij over geboeren – dorpslieden – die streden met een goede kluppel aan het dikke einde voorzien van een ijzeren prikkel. Hij vergeleek iedere boer met een Hercules die ook met een knods werd verbeeld. De Kolvekerels hoorden volgens Huydecoper in het bijzonder thuis in het graafschap Guînes in Picardië. Melis Stoke sprak ook van staven en de Vlamingen van goedendags en pieken.9 Knoet, de wikingkoning van Engeland en Denemarken uit de tiende-elfde eeuw, had zijn naam wellicht te danken aan de kolvekerels van Guînes in Frans-Vlaanderen, de streek waar hij vermoedelijk vandaan kwam.10 Op die manier kan het wapen en het woord zijn intrede in Engeland verklaren.

Het valt niet uit te sluiten dat in de Guldensporenslag van 1302 te Kortrijk de ridders te paard het moesten afleggen tegen de kolvekerels te voet.

 

Byzantium

Een aparte soort ridderklasse in het oosten waren de Warings (Varjagen). Ze waren een wikingen elite-eenheid in Byzantium die ten dienste stond van de Byzantijnse vorst. Wellicht waren ze een deel van de Rus die in het eerste millennium rond Kiev een rijk stichtten. Men noemde hen o.a. ook kolfingers of kolbjagi. Zij hielden van drink- en feestgelagen, paardenspelen, zwemmen en vechtsessies. In de oude bronnen beschreef men ook hun bal- of knotspel: knotleke.11 Met het colvespel van de knots- of kolfkerels uit Zuid-Vlaanderen mogen we een verwantschap vermoeden. Het woordje knot had ook in het oosten eenzelfde betekenis als kolf. Andere leenwoorden die daar in het oosten uit die tijd stammen, wijzen op een West-Europese oorsprong.

 

WaeringenSicilie12deeeuw.jpg

Warings, Siciliaanse prent twaalfde eeuw.

Degen en deghen

Een ander wapen dat met ridders en soldaten wordt vermeld is een degen, dat waarschijnlijk afkomstig is van het woord dagge, een smal en lang stootwapen. Bij overdracht werd dat ook een krijgsman.

Geleerden zien geen rechtstreeks verband met het woord deghen.

In de dertiende eeuw betekende een deghen een knaap of jongen.12 Het woord werd ook gebruikt in een bijbelse context waar de deghen een bijbelse held werd. Ook een geestelijke kon men met deghen aanduiden. Niet verwonderlijk dat het woord hier en daar ook een eigennaam werd. Ook dit woord leidt ons naar West-Europa. Het woord bestond in alle Germaanse talen.13 Het Engelse woord thegn of thane betekende iemand die een ander dient. Angelsaksische krijgsmannen – ceorls/kerels – zworen trouw aan hun koning en kregen land en andere bezittingen in ruil voor hun diensten. Pas dan konden ze zich wettelijk een thane noemen. Kon die thane-status iets te maken hebben met koloniserende Dani of Denen uit West-Europa?

 

Besluit

Ook bij rudimentair onderzoek ontdekken al we hoe de ridderstand verschillende oorsprongen had. Eens te meer bleek er een grote verwevenheid te bestaan tussen de verschillende volkeren rond de Noordzee en Het Kanaal. De Europese versie van het ridderideaal lijkt haar wortels te hebben op het West-Europese continent. De Vlaamse en Ardense (ridder)paarden waren beroemd in heel Europa. De ridderverhalen die tot ons zijn gekomen via de geromaniseerde bovenlaag van het Franse hof, stamden uit de voorafgaande West-Germaanse gebruiken en tradities rond de Noordzee. De dienstbaarheid van die mensen stond altijd centraal. Aan het soort wapen herkende men de soort groep waar iemand toe behoorde. De verschillende soorten groepen evolueerden langzaam tot één groep die in het algemeen ridders werden genoemd. Bij uitbreiding werd het een aparte stand die plaats bood aan edellieden die erfenissen ontliepen of adel die zich wilde laten opmerken. Bij die aparte – ondertussen rijkere – stand hoorden dan weer andere dienaars, zoals schildknapen. Met de grote tornooien startte een hoofse tijd, waar de ridders zich aan het koninklijk hof het best thuis voelden. Het wapen en het paard waarmee een ridder zijn kracht en kunde toonde, waren heel belangrijk. Het Franse woord chevalier vereenzelvigde de ridder bijna met zijn paard. Bekende ridders hadden beroemde – haast verpersoonlijkte – zwaarden en paarden waar dikwijls over werd gezongen en verteld. Beroemde wapens waren o.a. Durendal, Almace, Halteclere, Florberge, Moergleis, Preciuse, Joyeuse, Blidebrant... Beroemde paarden waren o.a. Bucephalus, Sleipnir, Incinatus, Valentijf, Volantin, Broyfort, Beyaert, Tencendor, Fyauwe...

 

Bronnen:

1. https://nl.wikipedia.org/wiki/Equites januari 2017

2. INL bij riddere, januari 2017

3. https://nl.wikipedia.org/wiki/Ridder_(ruiter) januari 2017

4. Een cnapekint had dezelfde betekenis.

5. INL bij kneht – Duden 7, etymologie bij Knecht – Etymologiebank, van Wijk bij het woord knecht –

Etymologiebank, Philippa bij schildknaap – etymologiebank bij knaap, januari 2017.

Ook andere talen kenden het woord: Oudhoogduits kneht, Middelhoogduits knēht, Nieuwhoogduits knecht, Oudfries kniucht, Oudengels cniht. Taalgeleerden doen het woord ontstaan uit het algemeen Westgermaans *knehta, knaap of jongeling.

Alle woorden hebben te maken met de beginletters kn-: knaap, knots, knote, knoet, knut, knar, knoop, knie, knot, knag, kneden, knuppel... Alles wat verwant is aan samendrukken, knikken, ballen, persen, klemmen, enz.

6. Etymologiebank bij schildwacht.

7. Ik denk ook aan woorden als godes cnecht (dienaar Gods) ghemie(de)t cnecht (loonarbeider) eighine cnecht (slaaf) des prinsen cnechte (lijfwacht) ghehuurt cnecht (huurling) dienstknecht, landsknecht, bootsknecht, brauknecht, heitknecht, enz. Voor knaap denk ik aan leercnape, statcnape, metseknaap, schandknaap, tuinknaap, veldknaap, winkelknaap, enz. Zelfs dienstige voorwerpen werden aangeduid als knecht of knaap.

8. http://bosworth.ff.cuni.cz/006460 januari 2017

9. Stoke Melis, Huydecoper Balthasar, Rijmkronijk van Melis Stoke: met historie- oudheid- en taalkundige aanmerkingen, Volume 3 Johannes le Mair, Leyden 1772 p. 80-86

10. Zie mijn boek over Noordzeevolkeren en wikingen dat in 2017 verschijnt.

11. knattleikr in het Ijslands. Vlaams: knotleke, een samenstelling van de bestaande woorden knot – een propvormig voorwerp, in het mnl. cnote oft bolle (...van vlas 1477) – en leke – dansen en springen, later ook lied – uit Proto-Germaans *laik, spel, sprong. Dat leke zit ook in het woordje huwelijk.

12. Uit het Germaanse *þegna-

13. INL bij deghen: Mhd. dëgen; mnd. degen; ohd. degan; hd. degen; onr. thegn; ags. thegen, thegn; osa. thegan; eng. thane.