Welkom op

 

 

Scramasax en andere wapens bij (moedige) Germanen

 

 

 

In Étretat werd een Merovingisch kerkhof opgegraven. Er werd onder andere een scramasax, een Saksisch mes, gevonden. Scramasax is in onze woordenboeken niet terug te vinden, hoewel ik het erbij zou plaatsen.
Wel te vinden zijn:
Scrammen, schrammen, schramen, iemand het vel openrijten, iemand bezeren, de huid openkrabben.
'Scrama' betekent dus schrammen of schramen (openrijten)
De huidige betekenis van schrammen is 'licht openrijten' of een schram achterlatend, waarbij 'schram' een opening, kloof of spleet in de huid betekent.
Misschien is dit verwant met 'schramme' (schram, Fries skram): kameraad, gezel. Kan dit de betekenis van bloedbroeder hebben? Dat was een stamverwant maar ook een plechtige verbintenis tussen twee mannen om elkaar bij te staan, bezegeld door het maken van een schram om zo elkaars bloed te mengen)
'sax', een mes of kort zwaard.
De sax was een voorloper van ons latere mes. Het woordje 'mes' is een verkorting van 'mete-sax', een snijwapen voor mete, vlees. Mete: In het Engels bleef dat woord bestaan als 'meat' en de Duitse slager heet 'Metzger'.
Later kreeg het woord 'schram' daarnaast ook de betekenis van 'schurk'. Iemand die schrammen naliet? Of iemand die zijn gelofte van bloedbroeder vergat? Een schrammenmes werd zo schurkenmes.

 

 

Wapen als kenmerk?

 

De namen van verscheidene Germaanse stammen kwamen overeen met een wapen dat in die stam werd gebruikt. Het is maar de vraag wat eerst was: Ging de naam van de stam over op het wapen of kreeg de stam haar naam door het specifieke wapen dat werd gebruikt?

Gevonden voorbeelden:
-'Franca' bestond als naam voor de werpspies die de Franken gebruikten.
-'Ger' bestond als naam voor de speer die de Germanen gebruikten. (Maar bij velen is dit wel een achterhaalde verklaring. Dat woord voor ‘speer’ luidt wel 'ger' en 'geer', maar voor het Oudgermaans gelooft men dat het  *gaizaz moet zijn. En dan zouden Germanen 'Gaisamanni' zijn.)
-'Sachsa' bestond als naam voor het zwaard dat de Saksen gebruikten.
-De 'Angli' hadden hun 'angol' (een soort grote winkelhaak die ook als werktuig werd gebruikt).
-Ask: es en vandaar speer van essenhout. De benaming voor Vikingen luidde soms 'Ascomanni' of 'esmannen'. Dat kan een naam zijn die komt van hun wapen of van hun uit essenhout gemaakte schepen.

-Zelfs de Romeinen deden daar (niet-Germaans) aan mee, want de 'Hastati' waren jonge soldaten uit het Romeinse leger. Hun naam komt van het Latijnse woord 'hasta' wat een soort (stoot)lans was waar ze oorspronkelijk mee vochten. De Hastati waren eerst lansdragers voor ze later meer een werpspeer gingen gebruikten.

-Misschien geldt voor de latere 'Picards' van Picardië eenzelfde etymologie. Pas in de dertiende eeuw is het woord 'picard' teruggevonden. INL beweert dat het Oudfranse 'pique' (lans piek) aan het mnl is ontleend: pike (1275): een puntig wapen en/of gereedschap in de landbouw, een pik of piek. Alles heeft zijn parallel met het gebruik van de angol bij de Angli. INL kent nog het woord 'pickaert picker': iemand die een piek of pik gebruikt: een (steen)bikker of een maaier, oogster, die een pikhouweel of pikke gebruikte.

 

De Germanen gaven hun kinderen graag de naam van een wapen. De meeste namen waren tweeledig. Een van die delen was dan de naam van een wapen. Soms gaf men aan de twee delen de naam van een wapen. Waarschijnlijk moest die jongen later een flinke vechter worden of dat meisje een goede strijdster.

 

 

Voorbeelden:

-Brand (schitterend of vlammend zwaard)
Gerbrand IJsbrand Hildebrand Erkenbrand
-Ger geer (speer)
Gerhard Gertrudis Edgar Geertruide Ludger Alfger Elfger Amelger Diedger Gerbod Geert Gert Geerolf Hemelger Gerberge Gerbrun Gerwij
-Bil (strijdbijl, bijl)
Biele Bailke Bilihild
-Steen (stenen, wapen in steen)
Sten Steyn Steinar Stendert Adelsten Alsten Brunsten Steenhard
-Eg (scherp van een zwaard en vandaar zwaard)
Egbert Egmond Egwin Ekhart Eghard Egger Egge 
Dubbele wapennaam: Gerbrand Esger
-Ask en Es, (es, vandaar speer van essenhout)
Askold Askon Esger Asser Asserik Aswin Assewijn
-Iv, ijf ijg uw(taxus, boog van taxushout)
Ive Ivo Ijge Ijgolf Igulf Uwe Ijve
-Oort Ort (punt, speerpunt, speer)
Ortwin Ortrun Ortrudis Oord Oort
-Saks, Sas (mes)
Saks Saskia Sachs Saksbern Sasbern Sahsberht Saksbrecht Sakserik Sasserik Saksger Saksmar Sasmar Saksmond
-Helm (bedekker beschermer)
Wilhelm Anselm Everhelm Helmbrecht Helmerik
-grijm grim (helm, masker, bescherming)
Alfgrim Elfgrim Grijmer Grijmolf Grimulf Grimbert Grimhilde Grimware
-gijzel (Pijl. Kan ook gijzelaar betekenen. Misschien heeft het die betekenis gekregen omdat men iemand in bedwang hield (gevangen hield) met pijlen.)
Adelgis, Algis Gijsbert Gijsboud
-rand (schild)
Bertrand (Berhtrand)
-brord (punt speerpunt)
Willibrord Willebrord
-oord ord oort (punt speerpunt speer)
Oordwin Ortwin Oord Ord Oorter (Ordheer)
-staal (staal wapens)
Staalhard Stallard Stalhard

Daarmee verband houdende, vindt men ook:

-wig (strijd of krijg)
Adelwig Alwig
-ago (felle of strijdbare)
Age Aag Agge Ak Ake Akke Oege
-here heer (krijger)
Alfer (alfheer) Elfer Alver Elver (elfheer)
-hard (sterk)
Alfhard Elfhar Amelhard Arnhard Bernhard Dankhard (hard van gedacht)
-amel (onvermoeibaar en volhardend)
Am Amel Amelbert Amelger Ameling Amme Amelberga Amma
-and (toorn)
Andhard Andger Anderik
-bald boud (stoutmoedig). Verwant met 'bad(de) bat(te)' (fel strijdvaardig)
Ansboud Boudewijn Baldwin Balderik Baderik Battewijn Boudolf Baldulf Diedboud Bada Baderun Boede Boeda
-gaar (gereed)
Ansgar (voor de Goden gereed) Badegar (gereed voor de strijd) Garbert Garboud
-ave appo oeve (krachtige)
Appe Ap Ave Ava Oeve
-aruw (snel, gereed)
Aregast Argast (Denk aan Arvogastes en Arbogastes)
-die (dienaar, krijger)
Arndie Arendie Fanedie (voen:hoedend en die)
-bern (beer, strijder)
Berenger Beringer (allebei beerspeer) Berger Bern Berner (Berenheer) Bernout
-wakar, wakker (waakzaam wakend)
Berneker (Bernwakar) Everokker Gondeker
-burg (burcht, bescherming)
Burghard Burgraad
-degen (dappere krijger)
Degen Dein Degenboud Degenhard
-dan dane den dene deen (onstuimige)
Dene Deen Denne Dan Dane Danne Halfdan Dena Danna Denna
-mond (beschermer)
Dietmond Diedmond Detmond Eilmond
-door (wagend moedig)
Dorbrecht (Thorbreht) Dorbert
-dras (snel strijdbaar)
Drasbert Drasmond
-man (legerman krijger soldaat)
Hardman Druhtman (legerman) Herman Garman Goeman Manfred
-druid (kracht)
Druidwin Ameldruid Druidhilde Druidlind Ermendruid
-eil egil ein (fel strijdbaar)
Eilbern Elben Eilberht Egilbert Egilo Eilhard Eimbrecht Embrecht Eindrik Endrik Einfred Eile Eila Eilswind Einhild 
-ellan ellen (moed ijver)
Ellenhard
-nand (wagend)
Ferdinand (vaartnand: reiswagend, moedig in de tocht) Nandhard Nandwin
-schalk (dienaar krijger)
Godschalk Maarschalk ('maar' is hier paard of ros) Olschalk
-gond gund (strijd krijg)
Gondbert Gombrecht Hildegonde Gondeker Gonderik Gonda Gonderade
-had hadde haddo hat hatte hoede (felle, strijdbare)
Hade Haad Hadebert Hadewijch Hadebrand Hadeward Hadeburg
-heist (geweld geraas)
Heistolf
-hilde (strijd krijg)
Hildegarde Hildebad Hidde Hildebert Hilbod Hildeger Hildegrim Anshild Arnilde Bertilde Farhilde Hilde Hilda Swanhilde Marhilde
-hund hond honde (buit roof)
Hondolf Hundulf
-koen (dapper, bekwaam)
Koenraad Koender
-ner neer noer (mannelijk sterk dapper)
Nerbert Nere Neer Noere Noering Nerswind
-nid nit nijd (woede vijandschap strijdlust)
Nidger Nitger Nidhard Nijdolf
-sare sar zaruw (bewapening)
Sarefred Sareward Zaruward Sarolf Sarehilde Sarra
-sege sigi zege (overwinning)
Sigibert Segard Zegert Segebod Segebrand Zegemond Zeger Segeburg Segelinde Segeniu (Zegenieuw) Segewij 
-storm (aanval)
Storm
-swind zwind (sterk krachtig)
Swindger Swimbrecht Swinter
-waad wade waat wate wat watte woede woed (woede razend)
Wadolf Wadulf Watto
-wig wijg (strijd)
Wijgand Wigand Wicher Wijger Wijghard Wighard Wigman Wijnand
-at oet (fel, strijdbaar)
Ata Ata Att Atte

 

 

 

Bronnen:
Wikipedia bij Hastati
INL op http://www.inl.nl/   
website etymologiebank op http://www.etymologiebank.nl/